• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de eerste sidebar
Annemiek Onstenk Journalist

Annemiek Onstenk Journalist

tekst, redactie & research

  • Home
  • Tekst
  • Redactie
  • Research
  • CV
  • Klanten
  • Contact
  • Kanaalpost

Archief voor september 2008

Jeugdzorg op weg naar volwassenheid

18 september 2008 door Annemiek Onstenk

PM, magazine voor de overheid – 2008

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid pleit in zijn rapport Bewijzen van goede dienstverlening (2004) al voor lerende organisaties voor maatschappelijke dienstverlening, die hun expertise ontwikkelen door zelfreflectie en toezicht. In de jeugdzorg is dit proces in volle gang. Joke de Vries, hoofdinspecteur van de Inspectie jeugdzorg, en Adri van Montfoort, lector Jeugdzorg en jeugdbeleid laten hun licht schijnen over professionalisering.

De Vries juicht toe dat het onderwerp professionalisering zo prominent op de agenda staat. De Inspectie heeft er lang genoeg voor aan de bel getrokken. ‘De aandacht is steeds naar het verminderen van de caseload gegaan, maar professionalisering vind ik veel belangrijker, zowel van uitvoerende medewerkers als van de managers.’ De hoofdinspecteur formuleert het probleem voorzichtig: ‘Medewerkers in de jeugdzorg zijn bevlogen en begaan met de kinderen en hun gezinnen. Ze doen hun best, maar hebben te weinig professionele handvatten voor hun werk. Ze moeten meer steun krijgen vanuit het management en vanuit hun beroepsgroep.’
Van gezinsvoogden, om met een gezichtsbepalende groep jeugdzorgwerkers te beginnen, mag verwacht worden dat zij kunnen signaleren wat er mis is in de gezinnen waar zij komen, vindt De Vries. ‘Zij moeten dat niet alleen opschrijven, maar ook actie ondernemen. Voogden beschikken idealiter over voldoende bagage om te kunnen beoordelen wat hen te doen staat. Dat is bijvoorbeeld vanaf het begin duidelijke afspraken maken met de ouders. Zijn er verschillende hulpverleners bij een gezin betrokken, dan moet er onderling goed worden gecommuniceerd. De gezinsvoogd heeft de regie en spreekt samenwerkingspartners aan op hun taak en verantwoordelijkheid. Bij calamiteiten zien we regelmatig dat er niet adequaat op signalen wordt gereageerd.’
Een gezinsvoogd moet ‘niet solitair’ optreden, vindt de hoofdinspecteur. ‘Teamleiders horen de handelwijze van een gezinsvoogd door te nemen en te checken.’ Een dergelijke ingebouwde double check vergroot de zekerheid dat juiste beslissingen worden genomen. Joke de Vries benadrukt dat het haar niet gaat om controle door leidinggevenden vanuit een houding van achterdocht. Wat haar betreft is goed intern toezicht een vast onderdeel van professioneel handelen, dat met respect moet gebeuren.

Geen standards
De Vries kan wel een oorzaak noemen voor de gebrekkige professionaliteit: ‘Er is geen opleiding voor gezinsvoogden, met een doorlopende lijn van de opleiding naar het beroep. Een traditie met een wetenschappelijke onderbouwing van het vak, zoals bij geneeskunde, ontbreekt en competenties moeten nog worden ontwikkeld.’ De verschillende beroepsgroepen in de jeugdzorg gaan wat De Vries betreft samen met het HBO werken aan goed vakonderwijs.
Zij vindt in ieder geval Adri van Montfoort, de kersverse lector Jeugdzorg en jeugdbeleid aan de Hogeschool Leiden, aan haar zijde. Professionalisering van jeugdzorgwerkers is deel van zijn opdracht. Van Montfoort zet een tweejarige masteropleiding op voor ervaren beroepskrachten. In september 2008 start de eerste groep, die gaat reflecteren op ingewikkelde beroepssituaties en casuïstiek zal uitwerken. Uit de aanmeldingen tot nu toe blijkt dat het om een gemêleerde groep gaat: leidinggevenden en uitvoerenden uit de jeugdzorg, een justitiële inrichting en de kinderbescherming. Daarmee staat automatisch ook ketensamenwerking op het programma: ‘Mensen denken vaak te zeer vanuit hun eigen vak, terwijl ze in het belang van het kind overstijgend moeten werken,’ zegt Van Montfoort. Hij vindt dat professionals daarbij moeten putten uit een mix van benaderingen van probleemsituaties. ‘Ik heb bezwaar tegen het centraal stellen van één manier van werken. Afhankelijk van de situatie kom je als professional tegemoet aan vragen van cliënten of treed je normatief op. Met een risico van gebroken armpjes en beentjes ga je anders om dan met gedragsproblemen.’
De Vries en Van Montfoort spreken, los van elkaar, allebei uit geen behoefte te hebben aan nieuwe protocollen van de manier van werken. Joke de Vries: ‘Alsjeblieft geen standaardlijstjes waarop medewerkers één, twee en drie afvinken. Ze moeten altijd blijven nadenken, elke situatie is verschillend. Als de professionals maar weten welke interventies werken en waaróm ze werken.’ Adri van Montfoort bevestigt dat en is net als De Vries van mening dat professionals nooit iets alleen moeten doen: ‘Ik houd hen voor altijd een collega te vragen hoe die erover denkt. Dat verkleint de kans dat het misgaat.’ Hij vindt bovendien dat leidinggevenden weer inhoudelijk leiding moeten geven. Van Montfoort: ‘Vroeger was de teamleider een ervaren professional, die met verstand keek naar het kind en het gezin. De afgelopen tien jaar kwamen er teamleiders zonder achtergrond in de sector. Ik wil een herwaardering van de directe en inhoudelijke ondersteuning van de uitvoerende werkers.’

Aparte beroepsopleiding?
Het Leidse lectoraat zet ook een minor op, een keuzevak Preventie en vroegsignalering: de beroepskracht in het centrum voor jeugd en gezin voor vierdejaars HBO-studenten van verschillende studierichtingen. ‘Het is een eerste stap in de richting van een specialisering in ‘jeugd’, zegt Adri van Montfoort. In de landelijke HBO-wereld speelt de vraag of er een aparte opleiding jeugdzorg moet komen. Van Montfoort. ‘Een aparte HBO-opleiding is mogelijk, maar specialisering in jeugdzorg kan ook in varianten binnen bestaande studierichtingen. Ik zou de verbindingen met maatschappelijk werk, sociaalpedagogische hulpverlening en pedagogiek in het oog willen houden.’

Er is nog een weg te gaan, stelt Joke de Vries, voordat de expertise die de sector opbouwt zich als een olievlek heeft verspreid en overal in de praktijk is doorgedrongen. ‘Laat mensen vooral veel bij elkaar in de keuken kijken.’

Actieplan professionalisering jeugdzorg
Met Operatie Jong is blootgelegd op welke punten jeugdbeleid en jeugdhulpverlening verbeterd kunnen worden. Het coördinerende programmaministerie voor Jeugd en Gezin moet de operatie afmaken. In dat kader is er in opdracht van minister Rouvoet door beroepsverenigingen, werkgevers van jeugdzorgorganisaties, hoger onderwijs en het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) het Actieplan professionalisering jeugdzorg opgesteld. Taken en thema’s waarmee zij, in deelprojecten, aan de slag gaan zijn actualisering van de opleidingen, het ontwikkelen van een duidelijke beroepenstructuur, nascholing, versterking van de verschillende beroepsverenigingen, beroepsregistratie, tuchtrecht en beroepscode. Het NJi coördineert de uitvoering van het Actieplan en de verschillende deelprojecten. ‘Het is van belang dat medewerkers in de jeugdzorg weer trots zijn op hun beroep,’ stelt programmacoördinator Marianne Berger van het NJi.
Contact: Marianne Berger, NJi, t: 030 2306532, e: m.berger@nji.nl. Meer informatie: www.nji.nl/professionaliseringjeugdzorg

Categorie: Jeugdzorg, Publicaties Tags: Jeugdzorg

André Rouvoet over pleegzorg

18 september 2008 door Annemiek Onstenk

Pleegcontact – 2008

Zelf ziet André Rouvoet, behalve minister voor Jeugd en Gezin vader van vijf kinderen, geen kans zich ook nog als pleegouder verdienstelijk te maken. Maar hij maakt, ondanks de drukte van de naderende begrotingsperikelen, graag wat tijd vrij om zijn activiteiten rond de positie van pleegouders toe te lichten. ‘Pleeggezinnen zouden niet nodig moeten zijn. Maar ik ben natuurlijk heel blij dat ze er zijn.’

Het regeringsbeleid is gericht op zelfredzaamheid (de Wet maatschappelijke ondersteuning) en zoveel mogelijk opgroeien in het eigen gezin. Zonodig krijgen ouders hulp vanuit laagdrempelige voorzieningen als de Centra voor Jeugd en Gezin. Tegelijk neemt het aantal plaatsingen in pleeggezinnen toe en is er een wachtlijst voor pleeg- en jeugdzorg. Vanuit welke visie weegt de minister de belangen af tussen het regeringsbeleid, de ontwikkeling van kinderen, ouders en pleegouders?
Rouvoet: ‘Kinderen groeien bij voorkeur op in het eigen gezin, maar als dat niet realiseerbaar is heeft een pleeggezin onze voorkeur boven een residentiële instelling. Ik zou natuurlijk het liefste willen dat plaatsing in een pleeggezin niet nodig is. Zonder onrecht te willen doen aan pleegouders, is pleegzorg voor mij zeg maar next best. Tegelijkertijd zeg ik er bij dat voor heel veel kinderen een pleeggezin wél de beste oplossing is, omdat het in het eigen gezin niet gaat. Ik ben dan ook ontzettend dankbaar dat er pleeggezinnen zijn. Ik heb een aantal pleeggezinnen bezocht en ben diep onder de indruk van hun werk. Hun inzet is enorm en veel pleegouders brengen ook de nodige offers.’
De waardering van de minister blijft niet bij woorden alleen. Als belangenverenigingen van pleegouders aankloppen voor zaken die zij verbeterd willen zien en voor het oplossen van knelpunten, kunnen ze in Den Haag in ieder geval rekenen op aandacht. En vaak op de bereidheid tot het doorvoeren van een aantal concrete maatregelen. ‘Ik wil een versterking van de positie van pleegouders,’ beaamt André Rouvoet volmondig. Maar pleegouders zijn niet de enige partij als het gaat om de pleegzorg. Hij praat ook met de provincies, met kinderrechters en anderen. ‘Wij hebben nu een wetgevingstraject ingezet waarbij we álle partners horen. De Tweede Kamer weegt de verschillende belangen tegen elkaar af en neemt de uiteindelijke beslissing.’ De voorstellen voor wetswijziging betreffen onder andere het blokkaderecht van pleegouders. Bij vrijwillige plaatsingen kunnen pleegouders de kinderrechter al vragen over- of terugplaatsing van hun pleegkind tegen te houden. Pleegouders van kinderen die onder toezicht zijn gesteld (de zogenoemde justitiële plaatsingen) en minimaal een jaar in het pleeggezin wonen, krijgen dat recht ook. Dat is althans de inzet van de ministers Rouvoet en Hirsch Ballin, de twee indieners van de wijzigingsvoorstellen.

Einde maken aan onzekerheid
Rouvoet wil een einde maken aan de onduidelijkheid en onzekerheid voor kinderen. Na twee jaar onder toezichtstelling moet een besluit worden genomen over de vraag of een kind terug kan naar huis of in het pleeggezin blijft wonen. ‘Als een definitief besluit nog niet mogelijk is, moet er een duidelijke uitleg zijn waarom de OTS weer een jaar verlengd wordt.’
De positie van pleegouders zal verbeterd worden in de Wet op de jeugdzorg. In een brief aan de Tweede Kamer over de initiatiefnota Gezin boven tehuis over pleegzorg die Coşkun Çörüz en Mirjam Sterk van het CDA eind 2007 indienden, liet de minister in juli weten te onderzoeken of het mogelijk is pleegouders instemmingsrecht te geven. ‘Als dat niet kan, wil ik bekijken of adviesrecht een goed alternatief is.’
Op het materiële en praktische vlak is de rijksoverheid al tegemoet gekomen aan een aantal wensen van pleegouders en de NVP. De indexatie van de pleegzorgvergoeding gebeurt nu aan het begin van het jaar in plaats van achteraf. Ook is de regeling van toeslagen verbeterd. Gezinnen die meerdere pleegkinderen hebben, aan crisisopvang doen en/of zorgen voor een gehandicapt pleegkind kunnen meerdere toeslagen krijgen, die bovendien zijn verhoogd en worden geïndexeerd. De eigen bijdrage van jongeren zal na behandeling van de genoemde wetswijzigingen worden afgeschaft.
Sinds 1 januari 2008 is er een nieuw probleem bijgekomen, waarvoor pleegouders aandacht vragen. Via de belastingen krijgen ouders die kinderbijslag ontvangen een kindertoeslag (die in de plaats van de kinderkorting is gekomen en vanaf 1 januari 2009 verandert in een kindgebonden budget), pleegouders niet. Ook Kamerleden stelden er deze zomer vragen over. Rouvoet: ‘Het is een urgente kwestie en ik ben er mee bezig. Er zit inderdaad een ongerijmdheid in de regeling, die we proberen te repareren. Het is een ingewikkeld probleem, omdat we de consequenties van een tegemoetkoming nog niet helemaal kunnen overzien. Maar er wordt hard aan gewerkt!’

Categorie: Jeugdzorg, Publicaties Tags: Versterk positie pleegouders

Coskun Çörüz: ‘Pleegouders beter toerusten.’

18 september 2008 door Annemiek Onstenk

Pleegcontact – 2008

Een werkbezoek aan een gezin met eigen en pleegkinderen maakte diepe indruk op hem. ‘Het was heel mooi hoe de gezinsleden met elkaar omgingen. Dat beeld verdwijnt nooit meer. Het je zo inzetten voor de meest kwetsbaren is fantastisch.’ Coşkun Çörüz wil zijn lof kracht bijzetten met maatregelen. ‘Er zijn nog teveel conflicten tussen ouders en pleegouders, bijvoorbeeld over schoolkeuze en paspoorten. Pleegouders worden in deze zaken onvoldoende erkend. Hun positie moet in de Wet op de jeugdzorg verankerd worden.’ Gesprek met Tweede Kamerlid Coşkun Çörüz (CDA).

Als jurist verdiepte hij zich al in onderwerpen als OTS en pleegzorg. Nu hij kamerlid is zijn de obstakels voor pleeggezinnen en de problemen van pleegkinderen voor Çörüz aanleiding er ook politiek wat aan te willen doen. Dat voornemen heeft de vorm van een initiatiefnota gekregen, waarmee kamerleden zelf een maatschappelijk thema op de parlementaire agenda kunnen zetten.
Om goed inzicht te krijgen in de situatie hebben Çörüz en mede-indiener Mirjam Sterk hoorzittingen georganiseerd en verschillende werkbezoeken afgelegd. ‘Ook word ik veel benaderd door pleegouders,’ zegt Çörüz. ‘Hun klachten gaan vaak over de grote verschillen in uitvoering tussen de Bureaus Jeugdzorg. Naar mijn mening is er tevens achterstallig onderhoud in de ondersteuning van pleegouders. De begeleiding blijkt per provincie en regio verschillend te zijn. Het kan niet zo zijn dat pleeggezinnen in de ene stad aanspraak kunnen maken op thuiszorg wanneer een verzorger tijdelijk uitvalt of op een bepaalde financiële vergoeding, terwijl dat elders niet zo is of pleegouders geen weet hebben van hun rechten. Hoewel er ruimte voor maatwerk moet zijn, ben ik voorstander van gelijke regels voor alle Bureaus Jeugdzorg.’

Hoeksteen
Een van de concrete voorstellen van de kamerleden is dat kinderrechters een OTS voor bepaalde tijd moeten kunnen uitspreken, bijvoorbeeld voor een periode van tweeënhalf jaar. Nu kan een OTS voor maximaal een jaar worden uitgesproken met de mogelijkheid van een jaarlijkse verlenging. ‘Zo’n flexibele OTS is beter voor de rust van het kind, van de (pleeg)ouders en van de professional.’ Çörüz wil het recht van pleegouders op gespecialiseerde hulp graag opnemen in de Wet maatschappelijke ondersteuning. En ook vindt hij dat een crisisplaatsing vergoed moet worden gedurende de hele tijd dat de plaatsing duurt, in plaats van de huidige maximumtijd van vier weken.
Op één punt zijn Çörüz en Sterk in hun initiatiefnota terughoudend. De wens van veel pleegouders om ‘niet te blijven OTS’en’, zoals Çörüz het noemt, en het gezag van de biologische ouders na aantal jaar uithuisplaatsing te beëindigen, deelt hij niet. ‘Ik heb aarzelingen bij het helemaal doorknippen van de juridische band met de biologische ouders. Wat zijn de gevolgen voor het kind op de lange termijn? Minister Rouvoet stelt voor het gezag van de biologische ouders na twee jaar uithuisplaatsing over te brengen naar een instelling. Dat is onomkeerbaar en daarom vind ik het te ver gaan. Als het om misbruik of verwaarlozing gaat, is beëindiging van het ouderlijk gezag voor mij evident, maar in andere gevallen zeg ik nee.’
Çörüz en Sterk stellen in hun nota voor verder onderzoek te doen naar de verhouding tussen de opvoedingsrelatie die pleegouders met het kind hebben en de gezagsrelatie van de ouders. Het is de bekende reflex in het Nederlandse politieke polderlandschap: een moeilijke beslissing verder voor zich uitschuiven door het laten vervaardigen van een nieuw onderzoeksrapport. Waar andere landen de schade voor uithuisgeplaatste kinderen juist proberen te beperken door het na verloop van tijd de kans te bieden zich onvoorwaardelijk te hechten in een nieuw gezin, blijft Nederland op twee benen hinken: verzorging en opvoeding in het pleeggezin en ouderlijk gezag in het gezin van herkomst. Het gaat Çörüz echter niet alleen om politiek manoeuvreren: ‘Ik heb zelf kinderen en moet er niet aan denken dat ik, wanneer ik door omstandigheden een paar jaar niet voor hen kan zorgen, het gezag kwijtraak!’
Het kamerlid zit in een moeilijk parket. Voor het CDA is het gezin de hoeksteen van de samenleving, maar wat te doen wanneer er twéé gezinnen bij een kind betrokken zijn, zoals bij pleegzorg? Het uitgangspunt is helder. Çörüz: ‘Ik vind dat de politiek niet alleen waardering moet uitspreken voor pleegouders en pleegzorg als waardevolle vorm van jeugdzorg moet koesteren. We moeten pleeggezinnen ook beter toerusten en hun positie versterken.’ Aan onder andere pleegouders om te beoordelen of de mooie woorden van nu later in politieke daden worden omgezet.

Coşkun Çörüz is jurist en sinds zeven jaar lid van de Tweede Kamer voor het CDA, waar hij onder andere woordvoerder is voor jeugdzorg. In november 2007 diende hij samen met CDA-Kamerlid Mirjam Sterk een nota over pleegzorg in: Gezin boven tehuis. De Kamerleden vragen daarin onder andere aandacht voor een aantal problemen waar pleegouders mee te maken hebben en doen een twintigtal aanbevelingen om hun (rechts)positie te verbeteren.
Minister Rouvoet en Kamerleden van andere fracties hebben de nota met instemming ontvangen en aanvullende vragen gesteld. Eind 2008 wordt de nota behandeld in de voltallige vergadering van de Tweede Kamer, met de opstellers ervan achter de regeringstafel, zoals met initiatiefnota’s gebruikelijk is.

Categorie: Jeugdzorg, Publicaties Tags: Pleegzorg

Nieuwsbrief Helpdesk Allochtonen 6

13 september 2008 door Annemiek Onstenk

nieuwsbrief-helpdesk-allochtonen-6

Categorie: Arbeid en sociale zekerheid, Diversiteit, Publicaties Tags: Multicultureel talent

De mogelijkheden van het ‘granieten bestand.’

12 september 2008 door Annemiek Onstenk

Radar – 2008

De werkrelatie van mens tot mens, dat zien klantmanagers als grootste winstpunt van hun taken in maatschappelijke activeringscentra: ‘Je hoort verhalen van uitkeringsgerechtigden die je in de spreekkamer niet hoort. Mensen worden personen in plaats van dossiers.’ Als mensen het vertrouwen en de ruimte krijgen hun eigen koers te bepalen richting werk of maatschappelijke participatie, zijn zelfs cliënten die al tien tot vijftien jaar thuiszitten in beweging te krijgen. ‘Mensen uit het ‘granieten bestand’, zoals we dat bij de Dienst werk en inkomen noemen, blijken best veel te kunnen als ze worden gemotiveerd.’

Op dinsdag 15 april kwamen enkele tientallen klantmanagers van Sociale diensten en medewerkers van de activeringscentra samen om kennis te maken, ervaringen uit te wisselen en te bespreken wat ze van elkaar of van hun gemeente nodig hebben.
In navolging van de proefgemeenten Alphen aan de Rijn, Almelo, Culemborg en Ede zijn inmiddels ook in andere plaatsen maatschappelijke activeringscentra van start gegaan, of worden voorbereidingen daartoe getroffen, zoals in Almere, Tiel, IJsselstein, Meppel, Heusden en Waalwijk. Mensen met een bijstandsuitkering volgen een korte opleiding om op huisbezoek te gaan. Daar stimuleren zij hun ‘collega’s’ met een uitkering om in actie te komen, een cursus te volgen of een andere stap naar (arbeids)reïntegratie te zetten. Op de centra kunnen zij, afhankelijk van hun plannen, lessen volgen, coaching krijgen, een sollicitatie oefenen of een klus in de buurt op zich nemen. Doel is dat cliënten in-, door- en als het mogelijk is, ook uitstromen naar regulier werk. Nieuwe klanten nemen dan hun plaats in.
Klantmanagers en begeleiders van de Sociale dienst/DWI houden een vinger aan de pols of zitten er bovenop. Ze delen duwtjes en schouderklopjes uit, blussen onderlinge brandjes en bewaken de voortgang. Dat doen zij niet vanachter hun bureau op het gemeentehuis, maar op locatie en dat maakt een wezenlijk verschil. ‘We hebben een nieuwe rol,’ zegt klantmanager en begeleider Irene Goedhart uit proefgemeente Alphen aan de Rijn. ‘Omdat ik halve dagen op het centrum aanwezig ben weet ik wat de problemen van de deelnemers zijn en kan die aanpakken. Je ziet sneller wanneer iets mis gaat of wat een knelpunt is en kan eerder ingrijpen dan wanneer je op afstand werkt. Ook komen de mogelijkheden van klanten beter in beeld.’ Goedhart stelt met haar klanten leerdoelen vast, bijvoorbeeld het regelen van taalles als iemand nog geen Nederlands spreekt, het zorgen voor kinderopvang of het uitstippelen van een individueel ontwikkelingstraject. Zij begeleidt zowel mensen met een arbeidscontract bij het volledig uitstromen, als mensen met een stagecontract die in aanmerking komen voor een arbeidscontract en ten slotte uitkeringsgerechtigden bij het vrijwilliger worden. ‘Veel mensen zijn eerst wantrouwig,’ zegt Irene Goedhart, ‘maar als er eenmaal vertrouwen is, doen ze juist een beroep op je voor hulp bij het starten van activiteiten en bij hun persoonlijke ontwikkeling. Eerst hadden ze allemaal gezondheidsproblemen, daar hoor je ze nu niet meer over. Ze zien ook wat ze kunnen mét hun beperking. Ze krijgen meer zelfvertrouwen. Het kost tijd en je bent intensief met mensen bezig, maar je ziet ze groeien. Eerst durven ze nauwelijks te praten en aan het eind geven ze een presentatie!’
Een klantmanager uit Culemborg heeft vooral met van oorsprong Marokkaanse vrouwen te maken. ‘Zij zijn moeilijk in beweging te krijgen,’ zegt ze, ‘maar als ze eenmaal over de drempel zijn, vinden ze het leuk en zijn zelfs blij eens wat anders te zien dan de vier muren van hun huis en de moskee. We proberen mensen in duo’s voor elkaar verantwoordelijk te maken, dat vergroot zowel de veiligheid als de deelname. De helft van m’n werk is regulier (het houden van intakegesprekken voor de bijzondere bijstand, AO), maar het activeren van klanten vind ik het leukste!’

Vertrouwen

De activeringscentra verschillen van elkaar: in doelgroepen die de gemeenten op het oog hebben, in groepsgrootte en in activiteiten. Ook verkeert het ene centrum in een beginstadium, terwijl elders de eerste mensen al zijn uitgestroomd. Het MAC in Ede maakt deel uit van een stichting waar ook andere reïntegratie- en participatietrajecten van de gemeente zijn ondergebracht, Twenterand heeft een eigen pand. In de ene gemeente is er een budget voor opleidingen en trainingen, in de andere kunnen klanten beschikken over een persoonlijke coach. Het vertrekpunt is echter overal hetzelfde: uitgaan van wat mensen wél kunnen. Het vergt een omslag in het denken.
Klant- of casemanagers die vanachter hun bureau werken, bekijken het werk van hun vliegende brigadecollega’s soms met scepsis. ‘Ze denken al gauw dat de begeleiding van cliënten veel minder tijd hoeft te kosten of dat de aanpak te vrijblijvend is,’ zegt een klantmanager die meedraait in het MAC in Culemborg. Hij probeert de kloof met de bureauambtenaren te dichten door ze uit te nodigen te komen kijken bij de activiteiten van cliënten.
Radar, adviesorganisatie sociale vraagstukken, begeleidt, schoolt en coacht zowel klantmanagers als activeringscentra en -medewerkers. Radar organiseerde ook de landelijke uitwisseling op 15 april. De aanwezige activeringsmedewerkers (vooral vrouwen) is, in een apart zaaltje, gevraagd hoe zij bejegend willen worden, de managers wat zij te bieden hebben. ‘Rotsvast vertrouwen, flexibiliteit, ruimte, geloof in ons, informatie en steun,’ vat een van de deelneemsters de inbreng in haar groep samen. ‘Vertrouwen, geduld, ruimte om stap voor stap te werken en tijd om zich te ontplooien, náást in plaats van tegenover elkaar aan tafel zitten, maatwerk, niet teveel in één keer eisen, respect, aandacht en ondersteuning met kennis en netwerk,’ is wat de klantenmanagers zeggen te willen bieden. De ervaring in een aantal activeringscentra is dat hoe minder druk er is om snel uit te stromen, hoe eerder mensen op de arbeidsmarkt terechtkomen.
Vraag en aanbod lijken dus goed te matchen. Het probleem is dat de realiteit vaak anders is als wat beide partijen wensen en vinden, stelt Thomas Hofman, directeur van Radar tot slot, maar duidelijk is dat klantmanagers enthousiast zijn over het werken in een maatschappelijk activeringscentrum. ‘Ze willen niet meer werken als administratieve handhavers en politieagenten, die gevoed worden door wantrouwen. Het faciliteren en ondersteunen van cliënten komt ook dichter in de buurt van wat ze ooit dachten dat hun baan was.’

Categorie: Arbeid en sociale zekerheid Tags: Granieten bestand

Primo 12 over Actief burgerschap

12 september 2008 door Annemiek Onstenk

Primo 12  [Lees meer…] overPrimo 12 over Actief burgerschap

Categorie: Lokaal sociaal beleid Tags: Actief burgerschap

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Pagina 4
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 7
  • Ga naar Volgende pagina »

Primaire Sidebar

    Artikelen

    Selecteer subcategorie
    category
    6a27879d57902
    1
    1
    27
    Loading....

    Volg mij op

    • LinkedIn

    © 2026 Annemiek Onstenk, journalist | Tekst, redactie & research | Techniek WordPress | Realisatie Zin in Webdesign