• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de eerste sidebar
Annemiek Onstenk Journalist

Annemiek Onstenk Journalist

tekst, redactie & research

  • Home
  • Tekst
  • Redactie
  • Research
  • CV
  • Klanten
  • Contact
  • Kanaalpost

Archief voor september 2008

Nieuwe gaswinning in Waddengebied

7 september 2008 door Annemiek Onstenk

PM, magazine voor de overheid – 2006

Gasproducent NAM vond halverwege de jaren negentig zes nieuwe, relatief kleine gasvelden onder de Waddenzee. Ze liggen dicht langs de Noord-Nederlandse kust en werden schuin aangeboord, vanaf drie landlocaties in de provincies Friesland en Groningen: Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen. Men schat de voorraad hoogcalorisch gas op 20 tot 25 miljard kubieke meter. Ter vergelijking: uit de gasvelden onder het nabijgelegen Ameland kwam de afgelopen twintig jaar 40 miljard kubieke meter gas.
Lange tijd kon het niet, nu kan het wel: nieuw gas winnen onder de Waddenzee. Naar verwachting krijgt de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) in september 2006 de definitieve vergunningen. De NAM begint dan in 2007 met gaswinning op de locatie Moddergat en in 2008 met winning vanaf de locaties Vierhuizen en Lauwersoog.

Gas winnen met de hand aan de kraan

Vlakbij het pittoreske dorp Moddergat, enkele kilometers van de Friese waddenkust, ligt een met een hek omheinde betonnen werkvloer van zo’n vijftig bij vijftig meter. Midden tussen de groene weiden. Uit het beton steekt een twee meter hoog apparaat uit de grond. Het is het mondstuk van de put die jaren geleden werd geslagen naar een van de gasvelden onder de Waddenzee. Het gas kan vanaf hier schuin worden aangeboord. Er is bedrijvigheid op het terrein: er staan wat vrachtwagens, je hoort een machine. Wat zijn ze aan het doen? De werklieden vragen de reporter of zij het bord Verboden toegang niet heeft gezien. Ze verwijzen haar naar de voorlichter van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) in Assen.
In Moddergat weten dorpsbewoners te vertellen dat de NAM voorbereidingen treft om de pijpen, die naar het gas onder de Waddenzee leiden, weer open te maken. Ze zijn volgestort met beton, toen de Tweede Kamer eind jaren negentig een stokje stak voor nieuwe gasboringen in de Waddenzee.
Hoe zit het ook alweer? Het kabinet Balkende gaf in 2004 toch het groene licht voor nieuwe gasboringen?

‘Het gaat niet om gasboringen’, haast perswoordvoerder Reinier Treur van gasproducent NAM zich te zeggen. ‘Tien jaar geleden boorden we, om de gasvoorraad te onderzoeken. De putten liggen er dus al. We gaan het gas nu wínnen.’
NAM verwacht nog dit jaar de vergunningen te krijgen voor nieuwe gaswinning van onder de Waddenzee. Daarvoor zijn geen boortorens meer nodig. Treur: ‘Wel komen er, naar verwachting eind 2006, tijdelijke installaties voor onderhoud van de putten. Ook wordt er over land een pijpleiding aangelegd, die het gewonnen gas van locatie Moddergat naar de installaties in Anjum transporteert. Ín de Waddenzee doen we niks.’
De toonzetting van de NAM-woordvoerder is defensief, de uitleg geduldig. Boren in de Waddenzee is een gevoelig dossier. De NAM heeft z’n lesje geleerd. Eind jaren negentig strandde een eerdere poging om de aangeboorde gasvoorraden te gaan exploreren. Nederland was tegen boren in dit kwetsbare natuurgebied, dat was het beeld. En een meerderheid van de Tweede Kamer wees extra gaswinning af. ‘We luisterden toen niet genoeg naar de samenleving,’ kijkt Reinier Treur terug op de blokkade. ‘We waren te technocratisch en gingen onvoldoende in dialoog. nu houden we rekening met de wensen van anderen.’

‘Boren naar gas in de Waddenzee is niet toegestaan’, verklaarde het kabinet Balkenende II echter in mei 2003. Het Regeerakkoord liet aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘Voor schuin boren onder de Waddenzee zijn reeds aanzienlijke investeringen gedaan. Er wordt niettemin gestreefd naar een verder moratorium van tien jaren met betrekking tot het schuin boren naar gas onder de Waddenzee.’
Wel vroeg Balkende een adviesgroep onder leiding van PvdA-er Wim Meijer aan te geven wat wijs was voor de Waddenzee. Daarbij moest de natuur uitdrukkelijk centraal staan. In maart 2004 verscheen hun advies: Ruimte voor de wadden.
Achteraf gezien is de Adviesgroep Waddenzeebeleid het breekijzer geweest. Niet alleen concludeerde Meijer c.s. dat gaswinning binnen strikte natuurgrenzen niet tot natuurschade zal leiden. Ook maakte het gezelschap korte metten met de onontwarbare bestuurlijke kluwen en het geharrewar rond de Waddenzee. Teveel polarisatie, teveel stagnatie, te weinig slagkracht, aldus Meijer c.s.: ‘Veel spelers hebben hindermacht, bijna niemand heeft doorzettingsmacht.’ Met de natuur als grootste slachtoffer, want daarmee stond het er slecht voor. Het advies luidde: de natuur krijgt voorrang en menselijk medegebruik is beperkt mogelijk. Het moratorium op gasboringen achtte de Adviesgroep overbodig, vanwege het hanteren van strikte natuurgrenzen.

Het kabinet volgde de Adviesgroep en het tij keerde. Men besloot extra gaswinning ‘onder strikte voorwaarden’ toe te staan, omdat er ‘geen significante schade voor de natuur’ te verwachten is. Ook zag het kabinet af van verlenging van het moratorium en.
Voor natuurherstel stelde het kabinet het Waddenfonds in. Aanvankelijk met een kapitaal van 500 miljoen voor de komende 20 jaar. Onder druk van onder andere de Waddenregio, is dat bedrag verhoogd tot 800 miljoen euro.
Tussen het kabinetsbesluit in 2004 en nu zitten ruimtelijke ordeningsprocedures, waaronder een milieueffectrapportage. Het rijk bereidt een groot aantal vergunningen voor. Het lopende ruimtelijk beleidskader, de Planologische Kernbeslissing Nota Waddenzee 1993, is verlopen. Maar een aparte kabinetsbrief uit 2004 zorgt voor het wettelijke kader voor de gaswinning. Het is een noodverband waar rek in zit. De nieuwe Planologische Kernbeslissing voor de Waddenzee is vooralsnog niet genomen, terwijl de vergunningen voor gaswinning binnenkort rond zijn.

Eén van de strikte voorwaarden voor gaswinning is het permanent meten (monitoren in vaktaal) of de gaswinning negatieve gevolgen heeft voor de natuur. Het gaat daarbij vooral om bodemdaling, en de gevolgen die dat heeft op fauna en flora. De NAM zal het gas op de genoemde locaties daarom winnen ‘met de hand aan de kraan’.
Reinier Treur van de NAM legt uit hoe we ons dat voor moeten stellen. ‘De NAM gaat 2/3 van de normale productiecapaciteit benutten. We hebben dubbele zekerheden ingebouwd. Wetenschappers verschillen van mening over de vraag hoeveel de bodem daalt door gaswinning, 5 of 10 mm. Wij gaan uit van 5 mm. We hebben daarnaast te maken met zeespiegelstijging door klimaatverandering. Ook daarover verschillen wetenschappers van mening. Maar wij gaan uit van het meest ongunstige scenario, om de Waddenzee de kans te geven bodemdaling via de natuurlijke veerkracht te compenseren (door de getijdenwisseling wordt permanent nieuw zand afgezet, red.). We winnen dus niet op volle kracht en houden voortdurend metingen. Zijn er negatieve gevolgen, dan gaat de kraan verder dicht.’

Natuur- en milieuorganisaties waren en zijn fel tegenstander van gaswinningen uit de Waddenzeebodem. Waar mogelijk brengen zij hun bezwaren in. Eind mei richtte hun kritiek zich vooral op de volgens hen ontbrekende garanties voor handhaving van de strikte natuurvoorwaarden in de vergunningen.
De Vereniging tot Behoud van de Waddenzee is een van die organisaties. Acht de Waddenvereniging, nu de nieuwe gaswinning bijna een feit is, het pleit verloren? Nee dus. Integendeel zelfs: de Waddenvereniging telt haar zegeningen. ‘We zijn blij met wat we hebben bereikt,’ zegt directeur Hidde van Kersen. ‘De besluitvorming is nu ook heel anders als destijds rond de gaswinning bij Ameland. Toen verstrekte de overheid een vergunning voor 20 jaar in één keer, ongeacht de gevolgen voor natuur en milieu. De NAM krijgt nu voor de nieuwe gaswinning vanaf land weliswaar een vergunning voor 40 jaar, maar die is elk jaar herroepbaar. Toen was de economie de voornaamste maatstaf, nu de draagkracht van de natuur. Het tempo van gaswinning is afhankelijk van de gevolgen voor de natuur. Bij Ameland onderzoekt men alleen de bodemdaling. Nu worden ook de gevolgen van gaswinning voor flora en fauna gemonitord. Én volgen er repercussies als die negatief zijn. Dat is een grote verbetering. Met dank aan de scherpere regelgeving en de druk van natuur- en milieuorganisaties. De vernieuwingen kosten de NAM enorm veel geld, het scheelt de staat gasinkomsten. Maar het is òf dit òf niks.’
De Waddenvereniging is zeer te spreken over de opstelling van de NAM. ‘Zij zijn een voorbeeld voor bedrijven elders door vanaf de wal te boren. Een Frans bedrijf gaat EZ binnenkort vragen of ze bij Schiermonnikoog naar gas mogen boren. Ik ben benieuwd of dat bedrijf zich net zo goed aan de regels houdt als de NAM.’

Ondanks alle zegeningen tekent de Waddenvereniging toch elke keer bezwaar aan, eind mei nog tegen de voorlopige vergunningen voor Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen. Is dat ritueel verzet? ‘Veel van onze wensen zijn ingewilligd. Maar de crux van de vergunning is het hand-aan-de-kraan principe. De wijze waarop dat nu is ingevuld geeft ons onvoldoende juridisch houvast als het mis gaat. Is dat in de definitieve vergunning niet aangepast, dan zal de Waddenvereniging desnoods procederen.’
Binnenkort komt de Waddenzee misschien op de werelderfgoedlijst van UNESCO te staan. Gaat de Waddenvereniging dat als nieuw element in de strijd werpen? ‘Nee,’ zegt Van Kersen eerlijk. ‘De status van werelderfgoed brengt geen economische beperkingen met zich mee.’
Europese regels doen dat misschien wel. Europarlementslid Dorette Corbey van de PvdA vroeg de Europese Commissie half mei jongstleden of nieuwe gaswinning past in het Europese beleid inzake vogel- en natuurbescherming. Zij doelt op de Vogel- en Habitatrichtlijn, die alleen ‘bestaande activiteiten’ toestaan in beschermde vogelgebieden als de Wadden. Het antwoord laat nog even op zich wachten.
De Moddergatters vinden alle zorg over de Waddenzee maar flauwekul. ‘Wat die milieuclubjes toch voor elkaar hebben gekregen, prietpraat is het,’ stelt een dorpsbewoner verontwaardigd. ‘Ik ben hier geboren en getogen. Vroeger zwommen we hier direct over de dijk. Nu komt het water bij vloed niet verder dan halverwege je schenen. Zoveel is de zeebodem omhoog gekomen, door de zandafzettingen. En dan zeuren ze over een bodemdaling van een paar millimeter! Dat gas brengt ons welvaart, daar moet je blij mee wezen.’
Ook de uitbaatster van het plaatselijke café heeft er geen goed woord voor over: ‘Met de Waddenvereniging moet je hier in het dorp niet aankomen. ’t Dorp leeft van de visserij. Er is hier weinig ander werk. We hebben al de beperkingen voor de kokkelvisserij en nu weer dat gezeur over de gaswinning. Daar hebben Randstadbewoners last van, wij niet.’

Feit is dat niet alleen natuur- en milieugroeperingen tegen nieuwe gaswinning uit de Waddenzee zijn. Ook de provinciebesturen van zowel Friesland als Groningen en Noord-Holland zijn al jaren tegen. Tot voor kort was, zoals gezegd, zelfs het landsbestuur tegen.
Bij het beleid rond de nieuwe gaswinning zijn vier ministeries betrokken. Er moeten maar liefst 32 vergunningen worden verleend. Om te voorkomen dat ministeries tegengestelde eisen formuleren, tempo in de besluitvorming te brengen en bestuurlijke wirwar te voorkomen, zette het kabinet een nieuwe procedure in gang. Met de zogenoemde Rijksprojectenprocedure wordt een project van nationaal belang – de nieuwe gaswinning is het tweede dat ermee te maken heeft – sneller dan normaal door alle benodigde procedures geloodst. Het rijk trekt daarbij een aantal bevoegdheden van lagere overheden naar zich toe. Zijn de provincies en gemeenten daarmee buitenspel gezet?
Gedeputeerde Piet Bijman (CDA) van het dagelijks bestuur van de provincie Friesland vindt van niet: ‘Wij hebben geen problemen met de Rijksprojectenprocedure. Wij liggen niet dwars. De vergunningen, waarvoor onze toestemming vereist is, hebben we verleend. Het kabinet heeft zo beslist. Wij vinden dat er voldoende waarborgen zijn voor veilige gaswinning. Wij hebben het Waddenfonds als compensatie om achterstallig natuuronderhoud in het Waddengebied weg te werken.’
Ook de voorzitter van de samenwerkende Waddeneilanden, Joke Geldorp, tevens burgemeester van Texel heeft er geen moeite mee dat het rijk de regie over het geheel naar zich toe heeft getrokken. ‘Gaswinning is een nationale kwestie, daar gaan wij niet over. Wij mengen ons niet in de nu lopende procedures, wij vertrouwen op Den Haag.’

Velen zullen nauwlettend blijven volgen wat er in en met de Waddenzee gebeurt. Maar de protesten tegen nieuwe gaswinning zijn op dit moment voor het grootste deel afgevlamd.

Categorie: Politiek Tags: Gaswinning Waddenzee

Primo 10 over Vrijwilligerswerk

7 september 2008 door Annemiek Onstenk

Primo-10

Categorie: Lokaal sociaal beleid, Publicaties Tags: Vrijwilligerswerk

Ervaringsdeskundige managers zijn een oppepper

6 september 2008 door Annemiek Onstenk

Zorgvisie – 2008

Steeds meer zorginstellingen voor mensen met een handicap of psychisch probleem zetten ervaringsdeskundigen in, als vrijwilligers én als betaalde krachten. Bij Roads werken ervaringsdeskundigen ook in leidinggevende functies: als bestuurder, manager en projectcoördinator. “Na dertig jaar cliëntenbeweging weet ik waar ik het over heb,” zegt Ed van Hoorn, lid van de Raad van Bestuur. “Voor de buitenwacht maakt het niet uit of ik er zit of een andere bestuurder, maar mijn inbreng moet wel verschil maken.”

Van Hoorn studeerde sociale wetenschappen, was actief in de patiëntenbeweging en werkt al geruime tijd bij het Instituut voor Gebruikersparticipatie en Beleid (IGPB), een onderzoeks- en kenniscentrum voor vernieuwing in zorg en dienstverlening. Nu is hij bovendien de helft van een duo aan de top van Roads. Officieel heet het bestuursmodel duaal management. Ed van Hoorn vormt samen met Thea Over de directie en is onder andere belast met het uitwerken van ervaringsdeskundigheid als leidend beginsel. Thea Over is voorzitter van de Raad van Bestuur..
Het bestuursmodel van Roads lijkt op dat van ziekenhuizen. Zijn het in ziekenhuizen, en ook verpleeghuizen, medisch specialisten en professionals die, samen met de algemene managers, verantwoordelijk zijn voor respectievelijk de zorgverlening en de bedrijfsvoering, in het geval van Roads staan ervaringsdeskundige professionals naast de algemene managers. Duaal management is ingevoerd op drie bestuurlijke niveaus: in de Raad van Bestuur, in twee regiodirecties en op een aantal locaties. Het is nu nog een experiment, voorlopig voor een periode van twee jaar, maar het principe is al vastgelegd in de langetermijnvisie van Roads.
De ervaringsdeskundige managers moeten bij aanstelling voldoen aan de vereisten die voor een managementfunctie gelden. Zij hebben dezelfde salarisschaal en arbeidsvoorwaarden als hun algemene collega’s. “Af en toe neemt een van hen een dagje vrij, net als andere collega’s. Het verzuim ligt niet hoger dan gemiddeld,” zegt Thea Over.
Cliëntenparticipatie en cliëntgestuurde projecten kent Roads al langer. Zo zijn een dagactiviteitencentrum in Amstelveen en een Zorghotel (voor een time-out) in Haarlem volledig door cliënten gerunde voorzieningen. Een groot deel van het personeel van Roads is zelf cliënt (geweest) en cliënten beslissen in de organisatie over alles mee.
Dat ervaringsdeskundigen nu ook leidinggevende functies innemen, is dus niet meer dan een logische stap. Ervaringsdeskundig wil in dit verband overigens meer zeggen dan dat de managers zelf ervaring als cliënt hebben. “Het is geen automatisme dat ervaringsdeskundige managers anders werken,” zegt Saskia van Dorp, ervaringsdeskundig lid van de tweekoppige regiodirectie van Roads Oost, met locaties en projecten in West-Friesland, Amstelveen, Amsterdam, Waterland en de Zaanstreek. “We hebben een ervaringsdeskundige coördinator gehad die precies hetzelfde deed als de vorige, dat is niet de bedoeling. Het gaat niet alleen om de passieve ervaring. Ervaringsdeskundigen moeten kunnen reflecteren op de vraag wat cliënten nodig hebben en kunnen abstraheren van hun eigen ervaringen. Vanuit die deskundigheid kunnen zij een cliëntgestuurd aanbod ontwikkelen.” Zij worden bovendien alleen aangesteld als ze open zijn over hun eigen ervaringen. “Ze moeten bij ons uit de kast komen en hun ervaringsdeskundigheid kunnen en willen uitdragen,” aldus Thea Over. Ervaringsdeskundigheid krijgt pas meerwaarde als de expertise professioneel kan worden toegepast.

Hbo-opleiding
Er is nog een aantal vacatures, maar tijdens een open sollicitatieprocedure voor een aantal ervaringsdeskundige locatiemanagers bleek dat weinig mensen aan alle eisen voldoen. Van de 34 sollicitanten kwamen welgeteld twee mensen in aanmerking voor de functie. Zij zijn in dienst genomen. Ed van Hoorn: “Het aantal geschikte kandidaten viel me tegen. Ik dacht vele talenten van buiten naar binnen te trekken, maar de meeste sollicitanten waren niet krachtig genoeg.” Daarom heeft Roads besloten zelf een opleiding op te zetten, als kweekvijver voor ervaringsdeskundige managers. “Onze jeugdopleiding,” noemt hij het. De eenjarige opleiding, georganiseerd in samenwerking met het IGPB, een opleidingsbureau en de Hogeschool van Amsterdam, is inmiddels gestart met één lesdag per week. Naast de twee nieuwe locatiemanagers en een aantal medewerkers van Roads, nemen ook anderen deel. Ed van Hoorn en Saskia van Dorp geven er allebei les over ervaringskennis en de omzetting daarvan in deskundigheid. Andere docenten geven algemene managementvaardigheden als motiveren, coachen en evalueren. De inhoud van de modules is nog in ontwikkeling, maar wanneer het lespakket is beproefd en uitgekristalliseerd vragen de initiatiefnemers erkenning als hbo-opleiding aan.

Goedkoop
Roads verwacht met ervaringsdeskundige managers kwalitatief betere diensten te kunnen bieden dan voorheen en dat de deelnemers van Roads erop vooruit gaan. Die vooruitgang moet te zien zijn in bijvoorbeeld een goede aansluiting van het dienstenaanbod op de vraag, invloed van deelnemers en afname van het aantal mensen dat uitvalt tijdens een reïntegratietraject. “We bekijken ieder onderwerp vanuit klantenperspectief,” zegt Saskia van Dorp. “Bij intakegesprekken moeten medewerkers luisteren naar het verhaal van de klanten en ruimte maken voor de invulling hun wensen. Ze mogen ook meedoen mét hun beperkingen.” Ed van Hoorn benadrukt dat het inzetten van leidinggevende ervaringsdeskundigen ook maatschappelijk moet leiden tot meer waardering voor mensen met een psychiatrische achtergrond.
Thea Over is tot nu toe tevreden over de resultaten van duaal management. “De prioriteiten komen anders te liggen, bijvoorbeeld bij informatievoorziening, keuzevrijheid en scholing van de klanten. Ik werk nu 35 jaar in de Ggz en weet uit ervaring dat veel instellingen focussen op protocollen. Als ze moeten bezuinigen passen ze hun visie aan de financiële mogelijkheden aan. Dat doen wij niet, wij maken andere keuzes.” Roads heeft het momenteel financieel moeilijk en moet bezuinigen. Het zou voor de hand liggen te beknibbelen op het experiment met de duo-managers (dat min of meer budgettair neutraal is ingevoerd, zo wordt mij verzekerd), maar dat doet Roads niet. “Het duaal management blijft,” zegt Thea Over. Het is ook niet per se duurder. “Omdat wij op alle niveaus van de organisatie managers hebben die vanuit de klant denken, komt Roads tot een vraaggestuurde invulling van de ondersteuning en zorg, en die is effectiever. De kosten dalen en zo wordt ons aanbod ook interessant voor het zorgkantoor. Verzekeraars willen tenslotte goedkoper werken en ze weten dat zelfregie kosten bespaart.”

Zorgverzekeraars, gemeenten en anderen kijken hier en daar nog onwennig aan tegen de ervaringsdeskundige managers waarmee zij nu zaken moeten doen. Saskia vindt dat ze zich soms extra moet bewijzen. “Mensen kijken je niet eens aan, die hóór je denken: ‘Dom blondje’.” Ed van Hoorn heeft daar geen last van, integendeel: Roads profileert zich met duaal management. “Het is een oppepper voor de organisatie”, zegt hij. Van Hoorn beschouwt Roads als koploper en is ervan overtuigd dat het ‘peloton’ ooit volgt. “Het is een kwestie van tijd dat ervaringsdeskundigen ook bij reguliere Ggz-instellingen in hogere functies terechtkomen.”

De Noord-Hollandse zorgaanbieder Roads ondersteunt mensen met psychische beperkingen bij het vinden van een plek in de samenleving. De organisatie streeft ernaar om in iedere grote woonkern in het werkgebied een breed scala van voorzieningen te bieden. Cliënten kunnen er terecht voor dagbesteding, begeleiding, werk en scholing. Roads heeft werk- en reïntegratieprojecten opgezet als Artotheek Meesterwerk in Haarlem, restaurant Freud in Amsterdam, Werken Aan Een Toekomst in Hoorn en een door cliënten bemande telefonische hulpcentrale. Als de cliënt dat wenst verwijzen medewerkers (intern) door naar crisisopvang, schuldhulpverlening, huisvesting of behandeling.
Roads wil een organisatie zijn waar de vraag van de klant bepalend is voor wat er gebeurt, projecten zelfsturend zijn en gebruik maken van ervaringskennis en deskundigheid. Doel is een klantencratie: niet alleen vóór mensen met psychische problemen, maar ook ván hen. De aanduiding ‘cliënt’ vervangt Roads bij voorkeur door het neutrale ‘deelnemer’. Bezoekers kunnen als cliënt binnenkomen en doorstromen naar vrijwilligerswerk of betaald werk. Op dit moment zijn er 220 mensen in dienst, waarvan 30% een psychiatrische achtergrond heeft. Roads wil dat percentage binnen enkele jaren verhogen tot 50%. Jaarlijks maken ongeveer 3000 mensen gebruik van hun voorzieningen.

Categorie: Psychische kwetsbaarheid, Zorg & welzijn Tags: Ervaringsdeskundige managers

Van O. op dochter – een persoonlijke bekentenis

6 september 2008 door Annemiek Onstenk

De Journalist – 2006

Wees eerlijk. Je schrijft als jongere boze stukjes over Johnson Moordenaar in de schoolkrant en protesteert achter een sandwichbord met de afbeelding van een uitgeperst zwart hoofd tegen Outspan-sinasappels. Tezelfdertijd wordt de krant van je vader overgenomen (‘gered’ past niet in het linkse wereldbeeld) door het Telegraafconcern. Dat vervult je toch met afgrijzen?!

Mijn afwisselend anarchistisch, communistisch en feministisch bewustzijn zei in ieder geval dat het niet deugde. Het journalistieke principe van hoor en wederhoor was ik toen niet toegedaan. Met het Telegraafconcern was ik snel klaar: dat was niet alleen ‘fout’ ín de oorlog, maar ook daarna. En met jeugdig simplisme schreef ik in één moeite door ook mijn vader, Jan Onstenk, min of meer als ‘fout’ af.
Keer op keer haalde ik mijn gelijk. Niet alleen wanneer hij zich genuanceerd uitliet over Zuid-Afrika en Israël, na een bezoek aan die landen. Ook hekelde ik zijn liefde voor militaire parades en gedweeheid ten opzichte van een centraal geleid, vrouw- en homovijandig instituut als de rooms-katholieke kerk. Nee, dan mijn gedweep met Cuba en de Russische heilstaat.

Jan Onstenk

Jan Onstenk werkte sinds 1949 als journalist bij het Noordhollands Dagblad, het NHD. Van 1958 tot 1979 was hij hoofdredacteur van het NHD, en van de Noorderpers. Hij schreef onder meer dagelijks een column, ondertekend met O. In mijn herinnering wees O. de gelovige lezers de weg in zaken als bisschopsbenoemingen, Concilies en beslissingen van provincie en kabinet. Boring. Ook de hiërarchische verhoudingen op de krant (zo genoot O. het privilege van een eigen kamer) stonden me tegen. Maar toen ik éénmaal de geur van de drukkerij opsnoof, was ik verkocht.
Naast afkeuring was er stiekem ook trots: míjn vader is journalist. En ik wilde dat ook worden. Ik zou het heel anders doen. Engagement zou m’n drijfveer zijn en mijn passie ging naar de zwakken en onderdrukten, om te beginnen de arbeiders, de Derde Wereld en vrouwen. Ik zou werken in redactiecollectieven en lezers oefenden via een lezersraad invloed uit.
Na mijn middelbare school lokte de Sociale academie. Ook de School voor Journalistiek behoorde tot de mogelijkheden. Daarover oordeelde mijn vader vernietigend: ‘Laat je talent niet verpesten door de School voor Journalistiek.’ Hij was zelf een natuurtalent en leek allergisch voor de afgestudeerde wijsneuzen van de SvJ. Er zal ook frustratie in hebben doorgeklonken. Op de redactie die hij – samen met een collega-hoofdredacteur – leidde, viel de entree van ‘profs’ samen met het morrelen aan oude gezagsverhoudingen.
Het werd sociologie. Ik schreef voor studenten- en universiteitsbladen, de linkse en de feministische pers. Als hij de kans kreeg, las mijn vader alles wat ik – en mijn broer, die mij voorging als socioloog – schreven. Van marxistische theorie en de geschiedenis van het mannelijke imago van potten tot kritische noten over de Europese interne markt. Hij oordeelde niet of in stilte.

Het heeft even geduurd, maar inmiddels heb ik een klein deel van m’n vaders verzamelde werken tot mij genomen. Na zijn dood voelde ik de behoefte de urn vol columns, artikelen en ander lezenswaardig oud papier, om te draaien en kennis te nemen van mijn vader’s hoofdredactionele kijk op de wereld.
Aan O.’s pen ontsproten uitgesproken en niet bepaald muffe meningen. Hij wilde een gids zijn. In zijn eerste O.’tje als hoofdredacteur, in 1958, liet hij weten ‘stelling te (zullen) nemen ten aanzien van de vragen van den dag.’ De krant moet voor zijn mening durven uitkomen en ook ‘onder woorden brengen wat in de hoofden en harten van de katholieke lezers leeft.’ Hij vraagt de lieve Heer om ‘de gave van het goede woord’.
In 1960 uit O. zorgen over de enorme welvaartsgroei. ‘We zijn hard hollend op weg naar de vijfdaagse werkweek, we zijn het 800.000ste tv-toestel gepasseerd en hebben de grootste goudvoorraad ooit. Vooral onder ouderen (…) leeft angst dat er weer oorlog komt. Omdat de ongelijkheid en onrechtvaardigheid op de wereld zo groot is.’ O. vraagt zich af hoe we gelukkig kunnen zijn met onze welvaart als er nog zo velen armoe lijden. Begin jaren ‘60 schrijft hij blij te zijn met de ruimte en openheid die in de roomse kerk ontstaat. Hij vindt het een zaak van de wereldkerk, maar wat hem betreft mag bijvoorbeeld ‘de discussie over het celibaat uit de ijskast: bevriezen lost niets op.’ O. doet een goed woordje voor vervangende dienstplicht in ontwikkelingslanden. ‘Dienst aan de vrede is de eigenlijke rechtvaardiging van ons militaire bedrijf’, zo schrijft hij.

O. kan moraliseren: verre vakantiereizen en andere luxe vindt hij overbodig. ’t Is eenvoud en soberheid wat de klok slaat, kinderen moeten hun fantasie gebruiken en niet worden verwend met duur speelgoed. Maar hij is ook sociaal bewogen: begaan met de grote werkloosheid in de bouw halverwege de jaren ‘60, met boeren en tuinders die kampen met tegenvallende oogsten en met mensen die het niet breed hebben. In 1963 schrijft O. over de onhoudbare situatie in Zuid-Afrika: ‘3,2 miljoen blanken hebben 58% van de zetels, 1,6 miljoen kleurlingen 4%. (…) De Bantoe-negers hebben officieel niemand. Niemand? Zij hebben in feite het grootste deel van de wereldopinie achter zich.’ De tijd voor verandering dringt, houdt hij zijn lezers voor.
New York’s politie slaat in 1964 bloedig een opstand neer. Het gezag houdt de rellen voor groeiend communisme. ‘Dat betekent voor de zoveelste maal,’ schrijft O, ‘dat gevestigden in de maatschappij aan ziekteverschijnselen dokteren maar niet de kwaal te lijf gaan. (…) Wie nog eens naleest hoe de opstand in Harlem begon, gelooft zijn ogen niet. Een agent zag een groepje negerjongens tekeer gaan tegen een man, die hen – naar eigen zeggen per ongeluk – natspoot met een waterslang, roepend ‘Ik zal jullie schoonspuiten, nikkers’. Dat namen de jongens niet. In het gevecht schoot de politie een 17-jarige dood. Jongeren in de buurt werden razend. Wie zou dat niet geworden zijn?’

In het magische jaar 1968 – hij was zo oud als ik nu, de eerste kleuren-tv’s verschenen op de markt voor prijzen tussen 2500 tot 3000 gulden – gaf O. een nieuw visitekaartje af: een interne notitie over het herzien van de redactieformule. Anders dan het papier – een A-4’tje waar het karbonnetje voor de doorslag nog achter zit – kan de inhoud de tand des tijds doorstaan. ‘De krant is een één-dags-vlinder’, zo vangt zijn ‘praat-prent’ aan, ‘die moet bekoren en voor de redactie al dood is als hij op de pers ligt. De feiten zijn heilig, het commentaar is vrij.’ De krant staat in niemands dienst en heeft, ondanks de specifieke lezersgroep, geen oogkleppen op. ‘Zij moet ruimte hebben om te fladderen.’ De krant mag worden afgerekend op ‘de liefde voor de medemens, voor de rechtvaardigheid en de waarheid.’ Het katholieke karakter van de krant moet blijken uit ‘het opkomen voor de zwaksten in de samenleving.’ O. wil verder kijken dan de regio groot is, om zowel de ‘oudere autochtone generatie’ te bedienen als de ‘jongere, verstedelijkte of van elders geïmporteerde lezer te boeien.’ De ‘kunst van het fladderen’ is ‘niet te huisbakken katholiek en gewestelijk zijn’ zonder de lokale wortels van herkomst door te snijden. O. wil een ‘betere krant dan de andere, door anders te zijn: bondig, snedig, dicht bij de mensen, snel op het nieuws, met een eigen geluid, hartelijk, ‘links’ zonder dogmatisch te wezen of te provoceren, zonder pretentie noch valse bescheidenheid.’
Ik heb in 1968 de jaren des onderscheids nog niet bereikt, mijn ‘dodelijke treffer’ van zijn, in mijn ogen door De Telegraaf ingelijfde, krant moet nog komen. Maar mijn vader breekt een lans voor een, tussen aanhalingstekens, links profiel, vrij van knellende kerkelijke banden en met oog voor het menselijk lijden. Uit zijn O.’tjes blijkt zijn hekel aan de PvdA. Maar ook de KVP, de katholieke bloedgroep van het CDA, krijgt er geregeld van langs. O. zou het geen ramp vinden als de KVP als partij verdwijnt. ‘De KVP is deels groot omdat ze politiek een behaaglijke middenpositie inneemt. Nederland zal dat altijd houden,’ schrijft hij, ‘dat vinden kiezers nu eenmaal democratisch.’ Als bij statenverkiezingen de opkomst zeer laag is, pleit hij voor herziening van het bestuurlijk stelsel. ‘Het bestuur moet dichter bij de burger.’

In familiekring ging O. niet prat op zijn vrijdenkendheid, dus kom ik er pas na zijn dood achter dat er vooral geestverwantschap was. Sterker nog: kennelijk heb ik mijn sociale ijver niet (helemaal) van mezelf. Zelfs op een terrein dat ik in de familie toch lang als het mijne beschouwde, de positie van vrouwen, blijkt hij achteraf de primeur te hebben. In 1970 riep hij lezers op bij de gemeenteraadsverkiezingen op een vrouw te stemmen. ‘Je hoeft geen Dolle Mina te zijn om het absurd te vinden dat het behartigen van plaatselijke gemeenschapsbelangen bij voortduring maar als een vanzelfsprekend overwegend mannelijke aangelegenheid beschouwd wordt. Mina kom op, want hier is niets vanzelfsprekend aan.’ Hij schrijft trots over Marga Klompé, die in 1967 het wankelende omroepbestel in de steigers zette: ‘Wat de heren Cals, Scholten, Veldkamp e.a. niet lukte, lukt Klompé wel, een engel die de draak verslaat.’

Wees eerlijk. Wat een hoogmoed van dat kind destijds, ‘fout’ eigenlijk. Zelf schrapt zij als journalist braaf het snedig linksige uit haar artikelen als de (hoofd)redactie de lézer zelf conclusies wil laten trekken, schrijft met genoegen voor het christelijk geïnspireerde dagblad Trouw en zit als freelancer in haar up achter het beeldscherm. Met de revolutie op en buiten de burelen is het niks geworden. Maar de fakkel om menselijke ellende en ongelijkheid ‘weg te schrijven’ blijft branden van O. op dochter.

Categorie: Family matters, Politiek, Publicaties Tags: Van vader op dochter

Primo 9 over de WMO

6 september 2008 door Annemiek Onstenk

Primo 9 over WMO

Categorie: Lokaal sociaal beleid, Publicaties, Zorg & welzijn Tags: WMO

Het sterfhuis van de ID-banen

6 september 2008 door Annemiek Onstenk

GroenLinks Magazine – 2005

Melkertbaan en Instroom/Doorstroom zijn passé. Snuffelstage en werkervaringsplaats zijn ín. Elk kabinet bedenkt nieuwe manieren om werkgevers tegemoet te komen en mensen met een uitkering in de markt te zetten. Het streven is goed, de praktijk weerbarstig. Neem de ID-ers. Langdurig in de uitkering werd voor velen langdurig (én gelukkig) in de gesubsidieerde baan. Goedlopende projecten bezwijken omdat de uitvoerders moeten doorstromen. Geld voor regulier werk is er niet of hebben werkgevers er niet voor over. De ‘reguliere werkloosheid’ groeit. Wat doe je als er aan het eind van een regeling nog zoveel ID-ers over zijn?
Maritza Foort had zeven jaar een ID-baan in Amsterdam. Zij werkte als groepshulp in de kinderopvang. ‘Ik was blij dat ik een baan had. Ik wilde een opleiding tot leidster volgen. Dat kon niet en de werkgever stimuleerde ons ook niet tot verdere scholing.’
De Stichting Welzijn waar ze werkte, ging failliet. Maritza en haar collega’s stonden op straat. Een doorstart, met het landelijk opererende Alcides, bood even soelaas. Maar ook Alcides ging over de kop. Maritza werd ontslagen en de opvolger opnieuw – tijdelijk – aangenomen. Op 1 juli 2004 liep het contract af, omdat de gemeente de loonkostensubsidie stopte. Maritza werd echter vóór die datum ziek. ‘Mijn ziekte had geen opschortende werking, het contract verliep gewoon. Eind 2004 was ik beter. Begin 2005 hoorde ik via via van een ID-baan bij een culturele instelling. Er waren twee vacatures en er was toestemming die met ID’ers op te vullen. Ik kwam echter niet in aanmerking. Instroom in een andere ID-baan kon alleen binnen drie maanden na afloop van mijn contract en die waren voorbij.’
Hoewel haar perspectief op de arbeidsmarkt na zeven jaar werken beter zou moeten zijn, deelde het Centrum voor Werk en Inkomen haar in groep C in. Wat zoveel wil zeggen als: weinig kansen op de arbeidsmarkt. Maritza solliciteert en gaat veel bij uitzendbureaus langs. ‘Overal zeggen ze dat alleen ervaring in de kinderopvang niet genoeg is. Je moet gediplomeerd zijn en dat ben ik niet. Heel jammer dat de ID-banen ophouden te bestaan, de regeling was zo goed.’

Het Besluit In- en Doorstroombanen (ID) van het ministerie van Sociale Zaken is per 1 januari 2004 vervallen. Subsidies in het kader van de ID-regeling worden afgebouwd. De verantwoordelijkheid voor werk en inkomen van uitkeringsgerechtigden is met het van kracht worden van de Wet werk en bijstand in 2004 naar gemeenten verschoven. Tegenwoordig moeten gemeenten loonkostensubsidies voor ID-banen betalen uit hun reïntegratiegelden. Om de doorstroom kracht bij te zetten wordt op werkgevers grotere druk dan voorheen uitgeoefend de gesubsidieerde in reguliere banen om te zetten. Gemeenten beslissen of de subsidie voor ID-ers die niet door kúnnen stromen wordt verlengd of stopgezet.
Hier en daar lukt het omzetten van ID-banen in gewone banen. Maar vooral non-profitorganisaties, waar veel ID’ers werken, kunnen de loonkosten vaak niet opbrengen.

Veel ID-banen zijn.oorspronkelijk bedoeld als additionele banen. Zo zou worden voorkomen dat ID’ers de plek innemen van een (ontslagen) reguliere kracht. Door werkervaring op te doen konden ID’ers doorstromen naar reguliere banen. De praktijk was anders. Niet alleen komen veel ID’ers niet in aanmerking voor een reguliere baan omdat hun productiviteit (te) laag is of ze moeilijk inpasbaar zijn. Hun werk is ook lang niet in alle gevallen additioneel. Veel ID-ers verrichten gewoon werk, waar de baas geen normaal salaris voor kan of wil betalen. Doorstroom wordt bovendien bemoeilijkt door het ontbreken van voldoende werk. Uitstromen komt in de praktijk neer op werkloosheid en opnieuw opgenomen worden in een reïntegratietraject.
Je kunt niet zeggen dat geen geld in ID’ers is geïnvesteerd. Eind 2003, voordat het rijk de verantwoordelijkheid voor bijstandsgerechtigden aan gemeenten overdroeg, werd nog subsidie verstrekt voor 45.500 ID-banen. Ook nu nog altijd vaardigt het ministerie nieuwe potjes en regelingen uit om voor succes te zorgen van de oude niet meer bestaande ID-regeling. Het ministerie van Sociale Zaken houdt geen gegevens meer bij van het aantal ID-ers dat nog in functie is. Voor hen bestaan ID-ers niet meer.

Lange weg
Amsterdam heeft nog 4100 ID-banen. Samen met 1500 WIW-banen (de inmiddels vervallen Wet Instroom Werkzoekenden) drukken zij voor 60 procent op het gemeentelijke reïntegratiebudget. NV Werk – dat Amsterdammers aan gesubsidieerd werk hielp, nu reïntegratiebedrijf – blijft proberen ID’ers te laten doorstromen. Zij zijn opnieuw beoordeeld en op een schaal van ‘kansrijk’ tot ‘weinig kans’ geclassificeerd in categorie A tot en met D. Voor kansrijken krijgt de baas geen subsidie meer. Instroom van nieuwe mensen in de bijstand probeert men meer dan voorheen te voorkomen.
Amsterdams GroenLinks-raadslid Judith Sargentini maakt zich al lange tijd sterk voor ondersteuning van mensen met een gesubsidieerde baan. ‘Toen het doek viel voor verschillende vormen van gesubsidieerd werk, zei de wethouder voor Sociale Zaken ons toe dat er geen ID’ers ontslagen zouden worden door gemeentelijk beleid. De loonkostensubsidie voor mensen die niet door kúnnen stromen naar regulier werk, zeg maar “de moeilijkste gevallen”, bleef bovendien gehandhaafd.’
Enkele groepen zijn van dit beleid uitgezonderd. Zo betaalt de gemeente sinds eind 2004 geen loonkostensubsidie meer voor mensen van buiten de stad met een ID-baan in Amsterdam. Ook voor instellingen die door andere financiële problemen “omvallen”, zoals de welzijnsinstelling van Maritza Foort, kan de raad weinig doen. Sargentini: ‘Die ID’ers komen in de WW, net als hun reguliere collega’s.’
Om zeker te zijn dat de wethouder woord houdt, opende Judith Sargentini in augustus 2004 een Meldpunt voor Amsterdammers met een ID- of WIW-baan die tegen hun wil ontslagen (dreigen te) worden. Sargentini: ‘Ik kreeg tientallen telefoontjes van mensen voor wie ontslag dreigt. Maar allemaal omdat zij buiten Amsterdam wonen of hun organisatie ophoudt te bestaan.’
Amsterdam kiest – noodgedwongen – voor de sterfhuismethode: ID’ers die hun post verlaten, worden niet meer vervangen. Met enkele duizenden ID’ers in functie is er nog een lange weg te gaan.

Topscore
79 buitensteedse ID’ers van wie Amsterdam op 1 januari jongstleden de loonkostensubsidie stopzette, komen uit Almere. Zij kunnen dit jaar nog naar de hoofdstad pendelen, omdat Almere de loonkostensubsidie van Amsterdam in dit jaar overneemt. Wat daarna gebeurt is onduidelijk. Dat veroorzaakt onrust.
In Almere zelf hebben 242 van de 287 ID’ers een reguliere baan gekregen, een topscore. 145 van hen zijn in dienst bij de nieuwe Stichting Werk en Welzijn Almere, opgericht door samenwerkende instellingen voor welzijn, zorg en kinderopvang.
Stichting Kompaan zocht in opdracht van de gemeente voor enkele tientallen werknemers met een ID-baan andere werkgevers, met name in het onderwijs. De subsidie wordt trapsgewijs afgebouwd. Werkgevers die tenminste tot 2008 ID’ers in dienst nemen, kunnen rekenen op een eenmalige subsidie.
Voor 26 mensen is de subsidie stopgezet. Zij zijn of worden door hun werkgever ontslagen. De gemeente nam zelf ook een aantal voormalige ID’ers in dienst.
Nu loonkostensubsidies voor de meeste ID’ers zijn vervallen, heeft Almere een groot deel van het reïntegratiebudget vrijgespeeld.

Bijna voor niets
Hoe krijg je mensen aan het werk in een tijd dat er zoveel werklozen zijn? Werkgevers die personeel zoeken mijden soms het CWI, om niet bedolven te worden onder honderden sollicitaties, merkt GroenLinks-wethouder Lenie Scholten in Nijmegen. Zij wil mensen die al lang in de bijstand zitten en geen kans op werk meer hebben, met rust laten. ‘Wij benaderen hen wel om maatschappelijk actief te worden, hun armoede te verlichten en om bijvoorbeeld schuldproblemen aan te pakken.’ Met mensen die een paar jaar in de bijstand zitten en met wat scholing en werkervaring wel aan een baan zouden kunnen komen, wil de gemeente volop aan de slag. Er is echter nauwelijks werk. Scholten: ‘We wilden het aantal werkervaringsplaatsen in 2004 verdubbelen, van honderd naar tweehonderd. Ondernemers kunnen hen een jaar bijna voor niets krijgen! De gemeente betaalt het grootste deel van de loonkosten, maar er zijn geen arbeidsplaatsen.’
Tientallen mensen met een ID-baan kregen of vonden in 2004 wel regulier werk, het grootste deel bij de eigen werkgever. Eind 2004 waren er nog ongeveer 900 ID-ers in Nijmegen.
Karien Panhuizen is één van hen. Zij noemt zichzelf Melkertier. Ze werkt zes jaar bij gehandicapteninstelling De Driestroom. De eerste twee jaar als groepshulp, de laatste vier als kok. ‘Voor kerst hoorde ik dat mijn baan misschien afloopt. De kindergroep van de instelling gaat verhuizen. In het nieuwe gebouw wil men overgaan op diepvriesmaaltijden, hoewel de ouders faliekant tegen zijn. Maar zelfs als De Driestroom de kok handhaaft, wordt mijn baan niet regulier, zeker niet voor 32 uur.’ Karien is vorig jaar beoordeeld in verband met de uitstroom van ID’ers. ‘Men zei toen “Laat haar maar lekker zitten”. Doorstroom is eigenlijk nooit ter sprake gekomen. Ik heb geen opleiding in dit vak genoten. Het is gewoon een baan.
Zij is niet de enige ID’er met een gewone baan. De D van “doorstroom” zit er voor velen pro forma aan vast. Veel ID-medewerkers hebben een imposante staat van dienst, die zeker te pas komt bij het solliciteren. Toch is hun toekomst ongewis: het merendeel is niet gediplomeerd.

IDirecteur
ID’ers zijn niet per definitie laagopgeleid. Jannekee Jansen op de Haar is directeur van de Badcuyp, Centrum voor Muziek in de Amsterdamse Pijp. De vraag wat een directeur doet in een ID-baan is haar vaker gesteld. Ze pareert die met: ‘Hoeveel werkloze directeuren zijn er niet? Bij de instelling van de Melkert- en later ID-banen werd niet gepraat over tijdelijkheid. Alle sleutelposities in het centrum zijn bezet door ID-medewerkers.’
Ze heeft wel geprobeerd elders aan de slag te komen. ‘Soms wilden organisaties me niet en directeursbanen liggen niet voor het oprapen.’ Jannekee heeft vier kinderen en kan deze baan goed combineren met het ouderschap.
Een directeursfunctie is inderdaad niet waar je aan denkt bij een ID-baan. Toch kon het jarenlang wél. Dat NV Werk het nu geen passende situatie meer vindt, lijkt een gelegenheidsargument.
Jansen op de Haar vindt haar persoonlijke situatie ze niet zo interessant – ‘Ik ben Arabist en zal geen of heel moeilijk werk vinden’ – liever zet ze zich in voor de rest van het personeel.
De Badcuyp heeft 14 ID’ers in dienst. Zij gaan om de beurt bij NV Werk langs voor een herbeoordeling. Jannekee is ingedeeld in categorie D, omdat ze het naar haar zin heeft en niet wil doorstromen. Maar omdat ze officieel kansrijk is, wordt de loonkostensubsidie voor haar baan afgebouwd en loopt haar contract eind 2005 af. De onzekere situatie veroorzaakt veel onrust. Jansen op de Haar: ‘We proberen ontslag van mensen te voorkomen, maar de subsidie-inkomsten lopen terug.’
De culturele sector heeft de bijzondere aandacht van Judith Sargentini. ‘In de begroting 2005 is op voorstel van GroenLinks nog eens 1,75 miljoen euro gereserveerd voor het “witten” van gesubsidieerd werk in de culturele sector.’ Misschien dat dit de Badcuyp en nog vele andere banen kan redden.
Beleid, hoe goed bedoeld ook, maakt soms meer kapot dan je lief is.

Categorie: Arbeid en sociale zekerheid, Publicaties Tags: ID-banen

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Pagina 4
  • Pagina 5
  • Pagina 6
  • Pagina 7
  • Ga naar Volgende pagina »

Primaire Sidebar

    Artikelen

    Selecteer subcategorie
    category
    6a27978c992c1
    1
    1
    27
    Loading....

    Volg mij op

    • LinkedIn

    © 2026 Annemiek Onstenk, journalist | Tekst, redactie & research | Techniek WordPress | Realisatie Zin in Webdesign