• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de eerste sidebar
Annemiek Onstenk Journalist

Annemiek Onstenk Journalist

tekst, redactie & research

  • Home
  • Tekst
  • Redactie
  • Research
  • CV
  • Klanten
  • Contact
  • Kanaalpost

Archief voor juni 2009

Lesbische geschiedenis

8 juni 2009 door Annemiek Onstenk

Pink – 2009

Hoewel er summiere aanwijzingen zijn gevonden dat de term ‘lesbisch’ (van Lesbos) eeuwen geleden al werd gebruikt om de vrouwenliefde te beschrijven, moet ik toch streng zeggen dat ‘de’ lesbische geschiedenis eigenlijk niet bestaat. Je kunt niet zonder meer één lesbisch geheel maken van Sappho tot nu, zonder de geschiedenis geweld aan te doen. Wel kunnen we vrouwen die zich lang geleden of de afgelopen generaties amoureus tot elkaar verhielden of het met elkaar deden een continuüm intrekken van vrouwen die van vrouwen hielden. Gebruikelijk is de geschiedenis in periodes in te delen en omdat we van bronnen afhankelijk zijn, beschrijven we de historie aan de hand van literaire uitingen, wetsteksten, wetenschappelijke verhandelingen en interviews. Elke periode heeft zijn eigen woorden, van wrijfwijf, tribadie en lollepotterij, via ziels- of romantische vrouwenvriendschappen, Boston huwelijken, geïnverteerden, homofiel, lesbienne en pot tot de hedendaagse lesbo. Of vrouwen het in al die periodes met elkaar gedaan hebben, is de vraag. Aannemelijker is dat dat afhing van de omstandigheden waaronder men leefde. Eind 18e eeuw bestond in de Amsterdamse Jordaan een heuse lollepottencultuur, zo lezen we in de juist verschenen Lesbo Encyclopedie. In de jaren 20 van de vorige eeuw zijn er vrolijke damestaferelen in clubs opgetekend, terwijl een vrouw in de jaren vijftig daarná geschokt reageerde op de vraag of ze lesbisch is. Ze vertelt zich seksueel haar hele leven te hebben onthouden. De geschiedenis loopt niet in één rechte lijn.
Annemarie Grewel, lesbisch icoon en voorvrouw, liet in de jaren 80 en 90 in aantal interviews weten al in de jaren 60 lesbisch te zijn geweest. Ik deed onderzoek voor mijn biografisch portret van haar, waaruit bleek dat haar coming out tien jaar later was. Het was voor haar net zo moeilijk als voor de meeste andere vrouwen voor haar lesbisch zijn uit te komen of zich dat zelfs maar te realiseren. Met alle respect – het is geen kritiek – maar Grewels herschrijven van haar persoonlijke geschiedenis, leidt eerder tot geschiedvervalsing dan tot lesbische geschiedschrijving.
Voor het gemak hanteren we de term ‘lesbisch’ echter maar gewoon. Verhalen over lesbische geschiedenis laten zich op verschillende manieren vertellen. Neem je door de eeuwen heen de wetgeving m.b.t. homoseksualiteit als vertrekpunt, dan krijg je een overzicht van periodes zonder (19de eeuw) en mét discriminerende wetten en bepalingen, zoals een groot deel van de afgelopen 20ste eeuw. In de huidige tijd hebben we antidiscriminatie beleid en wetten gelijke behandeling. Kijk je vanuit wetenschap, religie, politiek en ideologie dan zie je opvallende academische bemoeienissen met homoseksuele mannen en vrouwen; veroordeling, verdoemenis of tolerantie vanuit verschillende geloven; en onderdrukking, achterstelling en emancipatie als veranderende heersende opvattingen en politiek. Kijken we ten slotte vanuit vrouwen zelf, dan wisselen de afgelopen honderd jaar onzichtbaarheid, beklagenswaardige eenzaamheid, zelfverloochening, verschillende leefstijlen en uitdrukkingsvormen, bevrijding en trots pottendom elkaar af. De geschiedenis van lesbische vrouwen loopt deels parallel aan die van homomannen, deels aan die van andere vrouwen. Art. 248 bis (1911-71) verbood homoseksueel contact met minderjarigen (tot 21) voor mannen én vrouwen, maar omdat lesbische vrouwen niet werden ‘verdacht’ van seksuele handelingen, konden zij iets meer hun gang gaan. Hoewel ook zij het risico liepen hun baan of woning te verliezen als hun liefde bekend werd. Juridische vervolging trof meer mannen dan vrouwen. Sociaaleconomisch ging en gaat het homomannen doorgaans weer beter dan lesbische vrouwen. In dat opzicht zijn er meer overeenkomsten met (hetero)vrouwen.
Lesbische geschiedenis verhaalt over de wijzen waarop deze ontwikkelingen en zaken allemaal in elkaar grijpen. En dan nog is de werkelijkheid diverser dan dat. Verschillende auteurs hebben daar boeken over geschreven, waaronder Judith Schuyf, Anja van Kooten Niekerk en ikzelf.
Om ons tot de laatste honderd jaar te beperken is er een duidelijke wisselwerking tussen medisch-wetenschappelijke benaderingen, politiek en wetgeving, literaire verbeelding van het lesbische leven en het zelfbeeld van lesbische vrouwen.
Eind negentiende eeuw ontstonden in Europa seksuologische theorieën over zgn. geïnverteerden en later over het ‘derde geslacht’, o.a. van Magnus Hirschfeld. De centrale vraag was lange tijd wat de oorzaak van homoseksualiteit was en men vond, behalve seksuele voorkeur, lichamelijke en/of psychische ‘afwijkingen’, die wetenschappers voor aangeboren hielden. In Duitsland waren homocontacten tussen mannen strafbaar. Toen het de Nederlandse christelijke partijen in 1911 lukte homoseksueel contact met minderjarigen tot 21 strafbaar te stellen, ontstond ook hier naar Duits voorbeeld een Wetenschappelijk Humanitair Komité, dat zich voor verlossende woorden over mogelijke oorzaken voor homoseksualiteit oriënteerde op de wetenschap. Belangrijker voor ons is dat mensen zich ook voegden naar die theorie. In mijn boekje over veranderende beeldvorming over lesbische vrouwen, Van brede schouders tot hoge hakken (1983), citeer ik een vrouw die in het boek De Homosexueelen (1939) van de advocaat Benno Stokvis over zichzelf zegt:

‘De ‘zoon’ die mijn moeder zich gewenscht had, stond opnieuw in mij op, een breedgeschouderd, onstuimig wezen, dat zijn EIGEN weg wenschte te gaan, dat schroeide van verlangen – naar – een VROUW.’

Zij is een van de negen vrouwen die Stokvis in zijn boek portretteerde. Een vrouw zou als man van een andere vrouw houden. Andere vrouwen spreken van ‘abnormaliteit, speling der natuur’. Allemaal zien zij als oorzaak dat zij als kind het liefst een jongen waren geweest of zich een jongen voelden. Ook in de boeken Bron van eenzaamheid (Engelse versie1928) en het Nederlandse Vae Solis is het lijden geblazen. Vae Solis is geschreven op verzoek van de voorman van het NWHK (voorloper COC, zeg maar de homobeweging van toen): advocaat jonkheer Jacob Schorer. Het moest begrip (je kunt beter zeggen medeleven) bewerkstelligen. Je kunt goed zien hoe de dominante wetenschappelijke benadering, doel van het komité en de ervaringen van een overigens biseksuele vrouw bij elkaar komen: mannelijke vrouwen en verwijfde mannen, het derde geslacht, de kennis van de hoofdpersoon over wetenschappers als Magnus Hirschfeld en het lijden, de eenzaamheid en het verdoemd zijn. Terwijl de getrouwde Doudart de la Grée er volgens de overlevering een heel vrolijk lesbisch leven op nahield. Haar boek ontneemt meer zicht op ‘onze’ lesbische geschiedenis dan dat het helderheid/inzicht biedt.
Wetenschappers kregen ook na de oorlog een sleutelrol bij de typisch Hollandse aanvaarding van homoseksualiteit. De medici, psychologen en biologen kregen toen o.m. gezelschap van theologisch geschoolden.
Hoewel duidelijk is dat die oriëntatie op de wetenschap de acceptatie van homoseksualiteit moest dienen, hebben de academische onderzoekingen natuurlijk wel een relatie met de werkelijkheid. Het is te simpel om, wat feministische theoretici in de jaren zeventig en tachtig wel deden, te zeggen dat lesbische vrouwen louter leefden naar de heersende theorie over hen en dat vrouwen (wij) pas met de tweede feministische golf en Paarse September e.d. het heft in eigen hand hebben genomen wat hun identiteit betreft. Theorie en het ‘echte leven’ staan niet per se diametraal tegenover elkaar
Als je de interviews leest die Judith Schuyf of Van Kooten Niekerk hielden met lesbische vrouwen die in de eerste twintig jaar van de vorige eeuw zijn geboren, zie je verschillen. Dominant is dat vrouwen die van vrouwen hielden vóór ongeveer 1970 meestal zwegen over hun seksuele voorkeur. Hun gevoelens en/of lesbische praktijken hielden ze geheim, soms zelfs voor zichzelf. Er zijn vrouwen die vertellen tientallen jaren te hebben samengewoond zonder een seksuele relatie te hebben gehad of verlangd (zéggen ze). Andere lesbische vrouwen waren getrouwd en hadden kinderen. Er waren maar enkele zichtbare rolmodellen, zoals Marlène Dietrich, Anna Blaman. Toch bestond er ook in de jaren 40, 50 en 60 een lesbische subcultuur, leefstijlen als butch/femme e.d. Terwijl Annemarie Grewel nog worstelde met haar gevoelens, reed Bet van Beeren, lesbisch kroegbazin op de Amsterdamse Zeedijk, pronkend met haar veroveringen op haar motor door dezelfde stad. Zij maakte in de jaren 60 geen geheim van haar geaardheid; ze stierf in 1967.
In twintig jaar naoorlogse jaargangen van COC-blad Levensrecht zie je het beeld van de eenzaamheid, de afwijking, het mannelijke anders zijn kantelen. Halverwege de jaren 60 wordt de homoseksuele vrouw beschreven als ‘heel gewoon vrouw en vrouwelijk’, net als andere vrouwen. Wederom moest deze gedaanteverandering de acceptatie, het begrip en de emancipatie dienen waar het COC, maar ook christenen en wetenschappers, zich voor inzetten. Het motto daarvan was dat homseksualiteit ‘gewoon hetzelfde was’. De mannelijke pot werd naar het rijk der mythen verwezen.
De echte doorbraak volgt in de jaren 70. Eind jaren 60 is een eerste grote protestdemonstratie tegen art. 248bis, dat in 1971 wordt afgeschaft.
De homo- en vrouwenbeweging, geplaatst in het decor van brede maatschappelijke veranderingen, zorgden voor revolutionaire verbeteringen en persoonlijke bevrijding van velen. Stigma’s werden geuzennamen, het persoonlijke politiek en lesbisch leek zelfs enige tijd de norm. Naast vrouwen als Annemarie Grewel, die moedig paden baande in politiek en pers, hield je echter vrouwen als Ien Dales die niet uitkwamen voor haar lesbisch zijn. Veel lesbische vrouwen zijn nu in staat hun identiteit zelf vorm te geven, een leefstijl te kiezen, ja zelfs kinderen te krijgen en met elkaar te trouwen. Wij kunnen ons als lesbo veilig wanen en zijn in principe wettelijk beschermd tegen discriminatie en geweld. Maar nog lang niet alle lesbische vrouwen zijn vrij of willen zichtbaar lesbisch zijn.
De geschiedenis is nog niet met ons klaar! De waarheid over lesbische vrouwen betrap je soms op onverwachte momenten en manieren, niet door recht op de vrouw af te gaan.

Categorie: Diversiteit Tags: lesbische geschiedenis

‘Mensen willen graag geven’

8 juni 2009 door Annemiek Onstenk

Zorgvisie – 2009

Krappere overheidsbudgetten, marktwerking en kredietcrisis zetten de financiën van ziekenhuizen en zorginstellingen onder druk. Fondsen, subsidies en particuliere giften en nalatenschappen bieden soelaas. Toch is het niet eenvoudig de weg te vinden in het woud van regelingen. Adviezen om particulier geld op te halen.

Veel activiteiten die niet tot de kerntaken van de medische en zorgsector behoren en buiten de reguliere bekostiging vallen, zoals experimenten zorgvernieuwing, ontvangen subsidie van onder andere het rijk en de provincies. Toch is aanvullende financiering welkom. Ten eerste is het moeilijker geworden subsidie te krijgen. Aanvragen moeten aan een toenemend aantal voorwaarden voldoen. Ten tweede bestaan sommige zorgsubsidies slechts kort of zijn onzeker, bijvoorbeeld die voor personele gevolgen Wmo voor de thuiszorg en de financiering van dagbesteding op zorgboerderijen. Ten derde veranderen overheidsbeleid en wetgeving, bijvoorbeeld rond de AWBZ, en ook dat heeft directe gevolgen voor de bekostiging van extra diensten. Steeds meer zorgaanbieders wenden zich in hun zoektocht naar geld dan ook tot fondsen. Daar zijn er veel van, ongeveer 15000 en fondsen zijn over het algemeen betrouwbare financieringsbronnen. Om ze aan te spreken nemen zorgorganisaties een fondsenwerver in de hand, een ‘eigen’ of een ingehuurde.

Een eigen fondsenwerver

De Zorggroep uit Limburg leidde concernstafmedewerker Wilma Matheij er apart voor op. Zij deed de HBO+ beroepsopleiding fondsenwerver B van het Instituut voor Sponsoring en Fondsenwerving. ‘Fondsenwerver is een vak. Veel ziekenhuizen doen al aan fondsenwerving, de verzorging en verpleging volgen nu.’ Bij De Zorggroep komen vooral kosten voor extra welzijnsvoorzieningen voor cliënten, bijscholing van personeel, innovatie en bijzondere activiteiten in aanmerking voor financiering door derden. Wilma Matheij: ‘Zorg, dagbesteding en andere kerntaken van ons aanbod (ouderen- en gehandicaptenzorg, thuiszorg, jeugdgezondheidszorg en kraamzorg) worden uit de reguliere middelen betaald. De extra’s passen daar niet in. De jus is er af, zeg maar. Het gaat bijvoorbeeld om de inrichting van een groepsruimte van een kleinschalig woon/zorgcomplex, een belevingstuin (zie foto) voor dementerenden, snoezelruimtes, internetcafés en boottochten.’

Voor dit soort kosten doet Matheij een beroep op fondsen, particulieren en het bedrijfsleven. Zo organiseerde zij de afgelopen twee jaar onder andere drie galadiners voor het bedrijfsleven en de locale bevolking om geld bijeen te brengen voor verschillende doelen, waaronder de genoemde belevingstuin. 

Ook maakt De Zorggroep opleidingskosten die niet (volledig) worden gedekt door de eigen middelen voor scholing. Voor de bijscholing van medewerkers in het omgaan met ouderen en demente cliënten vroeg De Zorggroep 1,5 miljoen euro aan uit het Europees Sociaal Fonds (ESF). Dat betaalt 40% van de kosten. ‘Afgelopen jaar kwam ongeveer 80% van onze extra inkomsten uit subsidies en 20% via fondsen,’ zegt Wilma Matheij.

Zij signaleert dat landelijke fondsen, net als die van de Europese Unie steeds vaker een eigen bijdrage en/of inspanningsverplichting verlangen. De Zorggroep heeft daarom een Vriendenstichting met donateurs en legatenwerving en organiseert geregeld geldgenererende activiteiten. Men verkocht bijvoorbeeld de inboedel van een oud verpleeghuis via een rommelmarkt. Het Fonds Ouderenhulp verdubbelde de opbrengst en de bewoners die hadden moeten verhuizen, maakten van dat geld een geweldige boottocht om alle rompslomp van verhuizing te vergeten.

Wilma Matheij houdt nauwlettend in de gaten of en waar nieuwe financieringskansen opduiken. ‘Het Ministerie van VWS stelt tot 2011 bijvoorbeeld 80 miljoen beschikbaar voor meer variatie in wonen. Deze informatie nemen we mee bij bouwplannen voor nieuwe woonvormen voor dementerenden. De regeling en de voorwaarden zijn overigens nog niet gepubliceerd.’ Ook bestaat er subsidie voor verbetering van de luchtkwaliteit in verpleeghuizen. Om daar aanspraak op te maken moet de organisatie echter zelf bereid zijn tot investeren. Relatief nieuwe spelers zijn bedrijven die maatschappelijk verantwoord ondernemen. ‘Wij maken daar graag gebruik van. Zo leverde een bank om niet de dagvoorzitter voor een symposium over 40 jaar verpleeghuiszorg.’

Specialistische kennis inhuren

Omdat zorgaanbieders door de marktwerking steeds meer gewone bedrijven worden, kunnen zij soms een beroep doen op Europese subsidies als de regeling Sociale Innovatie 2007-2013 van het ESF, voor innovatie van de arbeidsorganisatie. Dergelijke subsidiepotten worden snel overvraagd dus daar is haast bij geboden. Ook moeten aanvragen worden toegesneden op de vele subsidiecriteria. Dat is een vak apart, stelt Peter Meijer. Zijn Bureau voor subsidie- en fondsenwerving PGHM (naar z’n initialen) in Friesland werkt onder andere voor zorginstellingen. Het is niet zozeer eigenbelang als hij wijst op het gecompliceerde karakter van subsidie- en fondsenwerving, maar antwoord op de vraag of zorgbedrijven geld laten liggen. ‘Ja, zorginstellingen laten veel geld liggen omdat ze de specialistische kennis niet in huis hebben. Men weet niet wat er allemaal te koop is. Het kost veel tijd die expertise te verwerven en bij te houden en een weg te banen in het woud van regelingen en fondsen. Maar het loont de moeite. Instellingen en bedrijven zien vaak op tegen de enorme administratieve verplichtingen rond aanvraag, rapportage en verantwoording. Zij kunnen beide echter inhuren, zowel de expertise als de hele administratie.’

Particulier geld

Henk de Graaf van Alpha Fundraising Consultancy richt zich vooral op de particuliere markt. Hij herinnert eraan dat de medische en zorgsector ooit bij deze bron begonnen is. De zorg voor zieken en hulpbehoevenden was oorspronkelijk in charitatieve handen van onder andere religieuzen en moest het financieel hebben van filantropen. De namen van sommige ziekenhuizen in Nederland verwijzen daar nog naar. In Nederland heeft de verzorgingsstaat deze functie grotendeels overgenomen, maar in bijvoorbeeld de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk is particuliere sponsoring van de medische en zorgsector heel gewoon.

De Graaf werkte vroeger voor de Hartstichting en het Astmafonds en werft nu giften, donaties, sponsoring en nalatenschappen voor ziekenhuizen en zorginstellingen. ‘Het gaat om zeer aanzienlijke bedragen. Je moet er goed over communiceren. Mensen willen geen geld geven om een gat in de begroting te dichten of mee te betalen aan een nieuw gebouw. Maar zeg je als ziekenhuis bijvoorbeeld dat je geld zoekt voor kankeronderzoek of kindergeneeskunde, is dat een heel ander verhaal. In principe zijn alle medische en zorgvoorzieningen te verkopen.’

Ziekenhuizen en zorgorganisaties moeten volgens hem niet alleen geld ophalen, maar ook een relatie met hun donateurs aangaan en hen op de hoogte stellen van wat er met hun donatie is gebeurd. Volgens De Graaf laten zij nu mogelijkheden liggen. ‘Ik zie veel koudwatervrees. Instellingen willen mensen niet lastigvallen met vragen om geld. Maar een ziekenhuis in een middelgrote stad kan per jaar ongeveer een miljoen euro aan particuliere middelen ophalen. Als jij het niet doet, haalt een ander die op.’

Particulier geld werven is niet iets wat je er zo even bij doet, waarschuwt ook Henk de Graaf. ‘Bereid je voor op het werk dat het met zich meebrengt en reserveer er een budget voor. Dat verdient zich terug.’ Hij verwacht dat steeds meer zorginstellingen in de toekomst zelf aan fondsenwerving zullen en moeten gaan doen, of die uitbesteden aan adviesbureaus als het zijne. ‘Nu gaat het om geld voor extra’s. Zo kan bijvoorbeeld geld voor een duur apparaat als een CT-scan mede door de plaatselijke bevolking bijeen worden gebracht. Maar ook in de basiszorg, de core business, zijn tekorten. Denk bijvoorbeeld aan te weinig handen aan het bed. Waarom zou je in de toekomst geen instellingspersoneel bekostigen met particulier geld?

Vanzelfsprekend moet Den Haag het collectieve karakter, het solidariteitsbeginsel en de gelijke toegang tot de gezondheidszorg waarborgen. Maar daarnaast kan zorg lokaal verbeterd worden met particulier geld. Want mensen willen graag geven!’

Zie voor verdere informatie bijvoorbeeld: www.fondswervingonline.nl; www.fondsenvoorouderen.nl; www.pghm.nl en www.alphafc.nl

 

Handige tips

· investeer in kennis van fondsen en subsidies

· onderzoek subsidiemogelijkheden vóóraf; al geïnvesteerde bedragen komen nooit voor subsidie in aanmerking

· informeer uw fondsenwerver in een zo vroeg mogelijk stadium over projecten waar u geld voor nodig heeft

· bouw goede contacten en netwerken op met provincies, de EU, fondsen en andere duurzame geldschieters

Categorie: Zorg & welzijn Tags: particulier geld zorg

Drijfzand

7 juni 2009 door Annemiek Onstenk

De hoeveelste ‘slechte-verkiezingsuitslag-voor-de-PvdA-gevolgd-door-het-voornemen-beter-naar-de-kiezers-in-de-wijken-te-luisteren’ is het geleden verlies bij de Europese verkiezingen? De zoveelste. En hielpen die voornemens? Nee.
Natuurlijk moeten politici kiezers serieus nemen wanneer die zich bijvoorbeeld uitspreken tegen de Europese grondwet en hun standpunten soms herzien en aanpassen. Uiteraard moeten de antennes voor onlustgevoelens en maatschappelijke onvrede altijd op scherp staan. Als politici het hoofd maar niet deemoedig laten hangen naar en meedraaien met al die verschillende groepen en geluiden. De meeste kiezers willen echt niet zelf aan het roer staan. Wel willen ze worden gehoord en kunnen vertrouwen op de inzet van hun vertegenwoordigers.
Partijen als SP en PVV, die naar aanleiding van die onvrede en onlustgevoelens op de flanken oprukken, gaan in eigen gelederen bepaald niet democratisch om met geluiden van onderop. Hun interne partijorganisatie is eerder autoritair. De PVV ís niet eens een partij. De leden (het volk) luisteren naar de leider (Marijnissen, Wilders). Hoe nuttig hun vertolking van maatschappelijke woede ook kan zijn, aan hen zou ik het land niet toevertrouwen.

Middenpartijen vormen de ruggengraat van ons bestel en moeten daar body aan geven. Waar staan ze voor? Het vlees noch vis dat nu werd uitgevent leidt tot een democratie op drijfzand. Politici zouden zich niet jaar in, jaar uit voor zakkenvullers en potverteerders moeten laten uitmaken. Dat het Europees parlement maandelijks heen en weer reist tussen Brussel en Straatsburg is al heel lang een schandaal, maar is vooral de ‘schuld’ van Frankrijk. Laten de 1,5 miljoen Nederlanders die daar jaarlijks hun vakantie doorbrengen, één of twee keer een andere bestemming kiezen. Dat is effectiever dan steeds dezelfde rituele aanklacht van stal halen.

En pak de echte zakkenvullers, zoals de Italiaanse maffia, eens aan.

Categorie: Politiek, Weblog Tags: PvdA

Primaire Sidebar

    Artikelen

    Selecteer subcategorie
    category
    6a278730309b4
    1
    1
    27
    Loading....

    Volg mij op

    • LinkedIn

    © 2026 Annemiek Onstenk, journalist | Tekst, redactie & research | Techniek WordPress | Realisatie Zin in Webdesign