• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de eerste sidebar
Annemiek Onstenk Journalist

Annemiek Onstenk Journalist

tekst, redactie & research

  • Home
  • Tekst
  • Redactie
  • Research
  • CV
  • Klanten
  • Contact
  • Kanaalpost

Annemiek Onstenk

“Oost-Europese vrouwen alternatief voor verpleeghuis”

29 juli 2010 door Annemiek Onstenk

Oost-Europese vrouwen bieden 24-uurs hulp in huis in Nederland. Krijgt na de bouw en de tuinbouw ook de thuiszorg te maken met Oost-Europese concurrentie? [Lees meer…] over“Oost-Europese vrouwen alternatief voor verpleeghuis”

Categorie: Arbeid en sociale zekerheid, Recente artikelen

Oorzaak zelfdoding Ggz onafhankelijk toetsen

7 juli 2010 door Annemiek Onstenk

Omdat zelfmoorden door cliënten in de geestelijke gezondheidszorg (Ggz) niet samen hoeven te hangen met tekortkomingen in de zorg, hoeven zorgaanbieders vanaf 2011 niet meer alle gevallen van zelfdoding te melden bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg.

In drie gevallen moeten de instellingen nog wel melden: wanneer de betrokken psychiatrische cliënten zijn opgenomen met een rechterlijke machtiging of een inbewaringstelling, als cliënten beperkingen zijn opgelegd, zoals separeren en ten slotte als de Ggz-instelling zelf denkt dat de suïcide te maken heeft met tekortschietende zorg.
Vooral die laatste voorwaarde is een ‘zachte’. Wat als de leiding van een psychiatrisch ziekenhuis meent dat de levensbeëindiging van een cliënt niets van doen heeft met de behandeling of bejegening en nabestaanden juist menen dat dat wél het geval is? In de nieuwe situatie wordt deze levensbeëindiging niet meer gemeld bij en onderzocht door de inspectie. De nabestaanden rest dan berusting of een lange gang door klachtencommissie en beroepsprocedures.

Het volgende voorbeeld laat zien dat zoiets niet denkbeeldig is. Een cliënte van een Ggz-instelling in Brabant maakte ruim een jaar geleden mee dat een vriendin en voormalig medepatiënte een einde aan haar leven maakte. Zij legt een direct verband tussen de zelfmoord en de onrust die ontstond op de afdeling waar zij beiden verbleven, over veranderingen in hun behandeling, vertrek van personeel en de uiteindelijke opheffing van de afdeling. Zijzelf is inmiddels opgenomen in een andere instelling, maar ze wil het lot van haar vriendin aankaarten. Ze meldt zich bij een provinciale patiëntenbelangenorganisatie, de cliëntenraad van de betrokken instelling, de patiëntenvertrouwenspersoon en de klachtencommissie. Ze doet haar verhaal, maar ze vindt uiteindelijk geen gehoor voor haar klacht dat onzorgvuldig is of zou zijn gehandeld.

De bewuste Ggz-instelling op haar beurt bevestigt dat er een klacht is geweest naar aanleiding van de, door cliënten omstreden, veranderde behandelwijze, de opheffing van hun afdeling en de zelfdoding. Maar stelt dat de klacht ongegrond is verklaard en de zelfdoding los stond van de situatie op de afdeling. De suïcide is, volgens het nog geldende protocol, gemeld aan de inspectie, maar die zag geen reden tot verder onderzoek. Einde verhaal, want er zijn geen verdere beroepsmogelijkheden.

Cliënte kan de zaak maar moeilijk afsluiten en vindt het zo frustrerend geen gehoor te vinden voor haar klacht dat ze zich tot een journalist wendt. “Het blijft aan me knagen. Voor mij blijft als ’n paal boven water staan dat mijn vriendin door haar depressie gesleept had kunnen worden als ze nog terecht had gekund op de afdeling waar ze zo vertrouwd was en waar ze met respect bejegend werd.”

De journalist kan geen vinger krijgen achter de zaak, zo die al een eenduidig verloop kende. Zij kan, vooralsnog, niets anders concluderen dan dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg de vraag of een zelfmoord in een Ggz-instelling samenhangt met de geboden zorg, getoetst moet worden door een onafhankelijke derde en niet door de instelling zelf.

Categorie: Weblog Tags: Ggz, zelfmoord

Het geheim van tante

1 juli 2010 door Annemiek Onstenk

Overal in de stad zijn de afgelopen jaren Denktanks sociale cohesie aan het werk geweest. Een denktank bestaat uit een groep meer of minder succesvolle wijkbewoners van diverse pluimage en is zelf een voorbeeld van actieve burgerparticipatie dat sociaal weeft. De deelnemers buigen zich op verzoek van hun stadsdeel over vragen als: hoe komen verschillende bevolkingsgroepen met elkaar in contact, hoe worden ze betrokken bij hun wijk en hoe kan radicalisering worden tegengegaan?

In juni 2010 presenteerde de Denktank sociale cohesie Zeeburg haar aanbevelingen. Plaats van handeling: een politieke markt in stadsdeelkantoor Oost, waar buurtbewoners, maatschappelijke organisaties en nieuwgekozen deelraadsleden kennis maakten en ‘handel’ dreven. De Denktank Zeeburg werd geleid door kinder/jeugdpsychiater Glenn Helberg, tevens voorzitter Overlegorgaan Caribische Nederlanders.

Om uitsluiting van mensen tegen te gaan en sociale samenhang te bevorderen keek de Zeeburger denktank vooral naar onderwijs, ondernemerschap/werkgelegenheid en eigen initiatieven van bewoners. Hiervan verwacht men meer bindende kracht dan van eenmalige projecten van buurtcentra of jaarlijkse barbecues. In overleg met wijkbewoners wees de denktank bijvoorbeeld scholen aan als plaatsen waar mensen al vanzelf samenkomen. Deze ontmoetingsfunctie kan worden uitgebreid (en hier en daar gebeurt dat al) door andere activiteiten in en om schoolgebouwen te organiseren dan het onderwijs waar een school voor is bedoeld, zoals buurtfeesten, toernooien en kindertheater. Migrantenouderen in schoolklassen hun levensverhaal laten vertellen en geïsoleerde allochtone vrouwen op de basisschool van hun kinderen koppelen aan autochtone taalmaatjes zijn andere voorbeelden die (kunnen) bijdragen aan wederzijds begrip en contact tussen verschillende groepen buurtbewoners.

Veel verwacht de denktank ook van het groeiend aantal maatschappelijk betrokken ondernemers, zzp’ers en kunstenaars in de wijk. De leefbaarheid, het zich thuis en veilig voelen van wijkbewoners komt mede onder druk te staan als er veel werk- en schoolloze jongeren op straat zijn. Ondernemers kunnen een rol vervullen als rolmodel, door het bieden van korte trainingen, stage- of leer/werkplekken en werk, etc.  In Zeeburg doen creatieve ondernemers van het Timorpleincomplex (StayOkay, Studio K) en Het geheim van tante Gerritje (buurtatelier voor kinderen) dat ook al.

Opvallend is dat de Zeeburger denktank bij het bevorderen van sociale samenhang geen taak lijkt te zien voor welzijnsorganisaties. Terwijl o.a. zij – in opdracht van gemeente of stadsdeel – de leefbaarheid en sociale cohesie in wijken moeten bevorderen (taak 1 in de Wet maatschappelijke ondersteuning, Wmo). Integendeel zelfs. ‘Productiehuizen’, zoals buurthuizen tegenwoordig heten, ‘realiseren overwegend incidentele projecten met een focus voor de korte termijn’, staat in het eindverslag van de denktank sociale cohesie Zeeburg. Diepte-investeringen in netwerken en terugkerende samenwerking tussen uiteenlopende mensen, vindt de denktank zinvoller omdat de resultaten daarvan meer beklijven.

Op het landelijke Wmo-congres over Welzijn nieuwe stijl, in mei 2010, pleitten verschillende lokale bestuurders ook voor koppeling van welzijn aan wonen, werk en onderwijs. ‘De Wmo moet breed worden ingevuld’, luidde het daar.

Nu is er niets mis met initiatieven op dit vlak van scholen en ondernemers zelf. Als een basisschool ouderen uit de buurt vraagt te komen voorlezen in de klas en daarmee mogelijk tegelijk iets doet aan hun eenzaamheid en isolement: uitstekend. Maatschappelijk bevlogen ondernemers die stage- en leer/werkplekken aanbieden of hun werknemers een dag in het jaar als vrijwilligers een kinderboerderij of speeltuin laten opknappen: prima. De buurt wordt er beter van, het sociaal weefsel hechter.

Maar onderwijs en bedrijfsleven vanuit de lokale overheid een extra maatschappelijke (en wettelijke Wmo-)taak geven, lijkt me niet de bedoeling. Over de kwaliteit van het basis-, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs is veel te doen. Leerlingen in het voortgezet onderwijs blijken lang niet allemaal te beschikken over de kennis en vaardigheden waarmee ze de basisschool hadden moeten afsluiten. Scholen nemen bovendien al belangrijke extra taken voor hun rekening: opvoeding en zorg. Die moeten we niet nog meer belasten, behalve als zij er zelf voordeel van hebben, zoals bij (groot)ouderparticipatie in de klas.

Wijkgebonden bedrijven als winkels, garages, kantoren, kunstenaars en zzp’ers kunnen vanuit hun eigen core business en expertise bijdragen aan het bevorderen van sociale samenhang. Door mee te doen aan festiviteiten, kennis en vaardigheden te delen en over te dragen op jongeren, sponsoren en investeren in buurtvoorzieningen. Meer moeten we niet willen.

Maatschappelijke bemoeizorg uit andere dan daarvoor gekwalificeerde branches bevordert namelijk niet alleen sociale samenhang maar ook de deprofessionalisering van sociaal werk en competentiestrijd met professionals uit de sociale sector. Met die laatsten heeft de Zeeburger denktank kennelijk weinig op, maar kunnen zíj niet beter hun blikveld verbreden en uit hun productiehuizen komen dan meesters, juffen en ondernemers uit hún ‘productiehuizen’?

Categorie: Amsterdam Centraal, Weblog Tags: maatschappelijk betrokken ondernemer, productiehuis

‘Sociaal werker is geen garagehouder maar wegenwacht: ga op mensen af!’

17 juni 2010 door Annemiek Onstenk

Een impressie van het Congres Welzijn Nieuwe Stijl 2010. [Lees meer…] over‘Sociaal werker is geen garagehouder maar wegenwacht: ga op mensen af!’

Categorie: Psychische kwetsbaarheid, Recente artikelen, Zorg & welzijn Tags: eropaf

Maatschappelijk vastgoed

3 juni 2010 door Annemiek Onstenk

Op 16 februari, twee weken voor de fusie met stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, besloot  Amsterdams stadsdeel Zeeburg een groot deel van haar zogeheten ‘maatschappelijk vastgoed’ in de Indische Buurt te verkopen. Bij maatschappelijk vastgoed gaat het om gebouwen met een sociale functie, zoals verslavingszorg, buurt- en jongerencentra. Van de 27 panden in de Indische Buurt die Zeeburg de deur uit heeft gedaan, zijn er 26 voor elf miljoen euro naar verschillende woningcorporaties gegaan. Omdat de panden worden verkocht mét sociale huurders en verplichtingen, is dat (ver) onder de marktprijs. Het 27ste pand, een broedplaats voor kunstenaars, stichtingen en maatschappelijke organisaties, wordt verkocht aan de gebruikers. Scholen blijven in bezit van het stadsdeel.

Verschillende partijen waren (en zijn) sterk gekant tegen de verkoop: D66 en SP ín de stadsdeelraad en enkele welzijnsinstellingen en groepen gebruikers van buurthuizen daarbuiten. Zij vrezen dat straks de functie van de panden verandert en de huren omhoog gaan. Oost/Watergraafsmeer, waarmee Zeeburg sinds 1 maart stadsdeel Amsterdam Oost vormt, was evenmin te spreken over de verkoop, vooral omdat handhaving van de sociale functie niet is gegarandeerd.

Dat laatste werd, op de bewuste Zeeburger deelraadsvergadering van 16 februari, weersproken door verantwoordelijk wijkwethouder Jan Hoek van GroenLinks. “De huidige functie en lage huren van o.a. welzijnsorganisaties zijn contractueel vastgelegd in borgingsafspraken”. De reden voor de verkoop, waar jaren voorbereiding aan vooraf zijn gegaan, is dat het beheer en onderhoud van gebouwen als buurtcentra “geen kerntaak van het stadsdeel is. Woningcorporaties kunnen dat veel beter en efficiënter”. Het stadsdeel houdt invloed op het gebruik, de huurprijzen en de ontwikkeling van de panden via een programmaraad.

Hoe worden gebouwen met een maatschappelijke functie elders in de stad beheerd, vernieuwd en onderhouden? Een belronde langs een aantal andere stadsdelen leert dat daar op dit moment geen plannen zijn om al het bestaande maatschappelijk vastgoed (behalve scholen) van de hand te doen. Wel zijn er, in heel Amsterdam, voorbeelden te vinden van (oude) gemeentelijke gebouwen die woningcorporaties voor een zacht prijsje opkopen en ombouwen tot multifunctionele accommodaties en van zorg- en welzijnsvoorzieningen die zij realiseren in nieuwe wijken. Corporaties bouwen en verhuren kerkruimtes, huisartsen onder één dak en gezondheidscentra, kinderopvang, atelierwoningen, zorghotels, een jongerenhotel en een enkele brede school. Far West en Ymere ontwikkelden in West onderwijs/cultureel/maatschappelijke bedrijfsverzamelgebouwen als Vliegbasis de Huygens en Het Sieraad.

Daarnaast nemen woningcorporaties steeds meer maatschappelijke verantwoordelijkheid voor wijken en bewoners door buurtconciërges aan te stellen, mee te doen aan achter de voordeurprojecten en aan gebiedsgericht werken, jargon voor samenwerking.

Voor de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties is investeren in maatschappelijk vastgoed een van de speerpunten op de Woonagenda 2010-2014 en onderdeel van werken aan een vitale stad’. De Federatie vraagt Amsterdam en de stadsdelen wel om ‘voldoende verdienmogelijkheden met commercieel te exploiteren bedrijfsruimte’, in ruil voor de lage huurprijzen voor zorg-, onderwijs- en welzijnsvoorzieningen.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen door woningcorporaties is mooi, heel mooi zelfs, maar het beheren van (onrendabele) welzijns- en andere gemeenschapsvoorzieningen is niet hún kerntaak. Meer dan eens zijn woningcorporaties negatief in het nieuws geweest omdat zij zich vertillen aan zaken die te ver van die kerntaak (volkshuisvesting, leefbaarheid wijk en buurt) afstaan en gemeenschapsgeld besteden aan prestigeprojecten, dure auto’s en torenhoge salarissen van hun bestuurders. Publiek/private samenwerking, waarbij gemeenten en corporaties partners zijn, ieder op hun eigen terrein, kan ook zonder verandering van de eigendomsverhouding. Het welzijnswerk wordt sinds een paar jaar ‘op de markt’ aanbesteed. Dat kan ook met het beheer en onderhoud van maatschappelijk vastgoed. Oude buurtcentra verkopen en vervolgens nieuwe instituties in het leven roepen om toezicht te houden op de nieuwe eigenaar en in te kunnen grijpen als het bedrijfs- toch boven het gemeenschappelijke belang gaat, is het paard achter de wagen spannen.

Categorie: Amsterdam Centraal, Lokaal sociaal beleid Tags: maatschappelijk verantwoord ondernemen, woningcorporaties

Geloven in genezing

30 mei 2010 door Annemiek Onstenk

Een Nederlandse man, geboren uit Colombiaans/Antilliaanse ouders, heeft een klacht over zijn behandeling bij De Hoop, een instelling voor evangelische hulpverlening in Dordrecht. Hij is daar naar eigen zeggen “met meer problemen weggegaan dan gekomen”. Enkele jaren geleden klopte hij bij De Hoop aan voor residentiële hulp vanwege familie- en relatieproblemen en verslaving aan alcohol en drugs. “Ik had hen gevonden via Google; dat christelijke maakte me niet uit”. Er werd een behandelplan opgesteld, maar in plaats van de gevraagde individuele hulp kreeg hij groepstherapie. En in plaats van de verwachte gesprekken met hulpverleners kregen hij en anderen te verstaan dat hij zich tot God moest wenden. “Ik had het gevoel dat het een sekte was, die me wilde inpalmen”.

In de zeven maanden dat de man was opgenomen in de woon/werkgemeenschap van De Hoop, raakte hij achterop met de betalingen van de huur en energierekeningen van zijn woning. Zijn begeleider zette hem er toe aan die op te zeggen. Omdat hij zich niet prettig voelde bij De Hoop en er in conflict kwam met zijn omgeving, is hij vertrokken.

De maanden erna kwam hij in moeilijkheden met zijn verhuurder, de NUON en de Sociale dienst én raakte hij in een ernstige depressie, volgens hem mede als gevolg van zijn verblijf bij De Hoop. Een vriendin diende namens hem een klacht in, die ongegrond werd verklaard. Omdat hij nu, jaren later, nog kampt met problemen die volgens hem op De Hoop zijn terug te voeren, zoekt hij contact met een journalist. De klacht is dat de instelling hem “geestelijke schade” toebracht, dat “zijn zelfvertrouwen weg” is, dat hij “is gedecodeerd” en dat “zijn persoonlijkheid is afgebroken”, dat hij van een “positief in het leven staand mens” een “wantrouwend persoon” is geworden en dat hij in een “maatschappelijk isolement” zit. Ook het woord ‘brainwash’ valt. Andere cliënten van zijn afdeling (gemeenschap), zouden vergelijkbare negatieve ervaringen hebben.

De Hoop is een van een keurmerk voorzien, op kiesBeter.nl vermelde en bij Ggz Nederland aangesloten zorginstelling op Bijbelse grondslag die in 2010 35 jaar hulp verleent, tegen normale voorwaarden van de zorgwet en zorgverzekeraars. De prestaties van De Hoop worden, net als die van andere instellingen, gemeten in de jaarlijkse Ggz-thermometer van brancheorganisatie Ggz Nederland. De uitkomsten van metingen bij De Hoop wijken nauwelijks af van landelijke gemiddelden. Rond informatievoorziening van cliënten scoort De Hoop weliswaar iets minder, maar in de waardering voor de behandeling weer iets beter dan gemiddeld. De Colombiaans/Antilliaanse man die mij benaderde hoort bij de groep cliënten die minder tevreden of ronduit negatief is over de behandeling. Voor De Hoop geldt dat voor ongeveer 10% van de cliënten, bij collega-instellingen is die groep gemiddeld groter, tussen 13-20%.

Maar omdat zijn klacht ernstig is, neem ik, vanuit het journalistieke principe van hoor en wederhoor, toch contact op met De Hoop en maak een afspraak met drie leden van de gastenraad, zoals de (wettelijk verplichte) cliëntenraad hier heet.  Of zij door God of de leiding zijn ingefluisterd of niet: zij staan pal voor De Hoop. Af en toe bereiken hen klachten over de behandeling, maar deze is hen onbekend. Mijn drie gesprekspartners zijn, voordat zij bij De Hoop kwamen, elders in behandeling geweest. De Hoop is voor hen de betere, mildere en menselijker instelling. “Mijn vorige behandelaar meende dat ik het toch niet zou redden (om af te kicken, AO) en stuurde me weer de straat op,” zegt een man die nu vijf jaar bij De Hoop in therapie is. En een vrouw met een alcoholverslaving: “In de reguliere opvang, waar ik eerst zat, worden zowel je gedragspatroon als je persoon afgebroken, en vervolgens weer opgebouwd. De Hoop is ook gericht op gedragsverandering, maar je wordt tijdens de behandeling met meer zorg omgeven”.

De gasten zijn ware ambassadeurs en vertellen trots van de leer/werkplaatsen voor de arbeidsre-integratie van cliënten, de ouder/kindplaatsen waar gezinnen met een verslaafde ouder kunnen verblijven, het financieringsfonds voor omscholing van cliënten en de nazorg van De Hoop.

En het geloof? “Geloven mag, De Hoop stelt het niet verplicht,” zeggen ze, net zo min als de zondagse diensten. Maar bij de intake tekenen gasten van De Hoop wel een overeenkomst over de behandeling op Bijbelse grondslag, “daar kiest men voor”.

Ik blader door de Nieuwsbrief van De Hoop van mei 2010, met o.a. een artikel over de christelijke hulpverlening. Anders dan de reguliere hulpverlening, zo lees ik, staat bij De Hoop ‘niet de methode, maar een ontmoeting met de Here Jezus centraal’. Bij De Hoop is men van mening dat genezing van verslaving, psychosociale of psychiatrische problematiek het werk van God is (“Zijn woord is als een medicijn voor mij,” wordt een cliënt geciteerd), niet van hulpverleners. Geluk en gezondheid zijn ook ‘niet het hoogste doel’ van de hulp van De Hoop. Dat is ‘dat iemand optimaal kan leven tot Gods eer’.

Aan de Ggz-thermometers van 2008 en 2009 met de scores van De Hoop, zit een pagina gehecht met antwoorden op de open vraag aan cliënten wat de christelijke identiteit van de instelling voor hen betekent. Om er enkele te noemen: “Er is niks beters dan het christelijk geloof”, “God=herstel”, “Bevestiging van wie ik ben in Christus”, “Dat je er met Gods hulp komt” en “Dat ik alleen met God acceptatie vind en clean kan zijn”.

Ik kan me – ondanks de relatief gunstige scores van De Hoop – voorstellen dat m’n Colombiaans/Antilliaanse man zichzelf er een beetje kwijtraakte.

Categorie: Weblog Tags: brainwash?

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 47
  • Pagina 48
  • Pagina 49
  • Pagina 50
  • Pagina 51
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 68
  • Ga naar Volgende pagina »

Primaire Sidebar

    Artikelen

    Selecteer subcategorie
    category
    6a161cee90504
    1
    1
    27
    Loading....

    Volg mij op

    • LinkedIn

    © 2026 Annemiek Onstenk, journalist | Tekst, redactie & research | Techniek WordPress | Realisatie Zin in Webdesign