• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de eerste sidebar
Annemiek Onstenk Journalist

Annemiek Onstenk Journalist

tekst, redactie & research

  • Home
  • Tekst
  • Redactie
  • Research
  • CV
  • Klanten
  • Contact
  • Kanaalpost

Annemiek Onstenk

Hans Revier over de Waddenzee

23 september 2008 door Annemiek Onstenk

Plus Magazine – 2008

“Er is in Nederland nog één gebied met oorspronkelijke natuur en dat is het Waddengebied. Je kunt je als mens nog nietig voelen in dit grootste getijdengebied ter wereld. De sensatie van leegte die toeristen op de gletsjers in Nepal zoeken, vind je ook bij ons op de Wadden. De Waddenzee is ondiep en staat bij eb zelfs droog. Het water is er dus relatief warm. Daardoor ontstaat uniek leven op de bodem van de zee: kiezelwieren, plankton, zeegras, kokkels, garnalen, vissen… Dat trekt scholeksters, rosse grutto’s, wulpen, kluten en tientallen andere vogelsoorten aan, maar ook zeehonden die hier hun jongen krijgen. De Waddenzee is onvervangbaar en uitzonderlijk. Daar moet je voorzichtig mee zijn. Het is weliswaar een internationaal, nationaal en regionaal beschermd gebied, maar toch proberen vissers, energieproducenten, gemeenten en ondernemers steeds weer onder die bescherming uit te komen. Er zijn nu teveel industriële activiteiten, zoals de gaswinning en de intensieve visserij. Die brengen schade toe. Als de bodem daalt door gaswinning en de zeespiegel bovendien stijgt door klimaatverandering, krijgt de Waddenzee een ander karakter waardoor de diversiteit van soorten afneemt. Dat proces is al ingezet, de natuurlijke mosselbanken weg, dat waren de koraalriffen van het Wad.
De gaswinning is tegenwoordig, mede door toedoen van natuur- en milieuverenigingen, omgeven door zeer strenge wetgeving. Maar je kunt er vergif op innemen dat er over een paar jaar weer een nieuwe aanvraag komt om te mogen boren naar andere gasvelden. De discussie over de mosselvisserij loopt al vanaf 1990. Er is allang aangetoond dat visserij schade toebrengt, maar nu drijft de vissersbranche de zaak toch weer op de spits. Het lijkt aan politieke wil te ontbreken om de Waddenzee écht te beschermen. Er zou een totaalplan gemaakt moeten worden voor duurzame ontwikkeling, waardoor beperkte economische bedrijvigheid kan plaatsvinden zonder het wezen van het Waddengebied aan te tasten. Een plan met ontzag voor de natuurwaarden van de Waddenzee en dat de bescherming serieus neemt, zodat je achteraf niet allemaal procedures nodig om de schade in beeld te brengen en te repareren.”

Categorie: Plus Magazine, Publicaties Tags: Waddenzee

Kilometers kwaliteit en een toef duurzaamheid. Innovatie van bedrijventerreinen.

22 september 2008 door Annemiek Onstenk

 

NH – 2003

Geschakeld bouwen, serverhosting, segmenteren en een ‘kostenefficiënte kwaliteitsslag in dienstverlening’. De vaktaal imponeert. Maar wat gebeurt er precies? Wat zijn de sterke kanten van een geherstructureerd of duurzaam bedrijventerrein, wat doet een parkmanager en hoe zit het met de ICT-voorzieningen? Kwaliteit, duurzaamheid en innovatie blijken key issues in de metamorfose van voormalige industriegebieden in moderne business parken.De Haarlemse Waarderpolder is een van de eerste herstructureringsprojecten waar de provincie geld in heeft gestoken. Verspreid over het 150 hectare grote industriegebied tussen de Spaarne, het spoor en de Mooie Nel liggen oude bedrijfsterreinen van tezamen 35 hectare die worden geherstructureerd en opnieuw uitgegeven. In een enkel geval zijn nieuwe kavels aangelegd. 17 hectare is af en in bedrijf genomen. “Van de kant van de provincie is het scheppen van werkgelegenheid de enige harde eis,” zegt Steef de Looze, programmamanager vanuit de gemeente Haarlem. “Die doelstelling wordt hier met een gemiddelde van 80 werknemers per hectare ruim gehaald.” Hij is ambitieus én realistisch: “Je kunt wel hogere eisen stellen, maar de markt beslist uiteindelijk.” Ambitieus is het streven de nieuwe terreinen een sterke uitstraling te geven door ze schoon, heel en veilig te houden. Ook parkmanagement, milieumaatregelen en collectieve voorzieningen moeten de kwaliteit van het gebied verhogen. Realistisch is dat afhankelijk van de bereikbaarheid en de ligging ten opzichte van de stad verschillende accenten worden gelegd. Knelpunten zijn het ontbreken van een extra oeververbinding met het centrum en de trage sanering. Het resultaat is een lappendeken van degelijk ontwikkelde en in ontwikkeling zijnde bedrijfsterreinen met hier en daar een toef duurzaamheid.
Op een wat afgelegen, moeilijk uitgeefbaar terrein worden geen hoge eisen gesteld aan de bebouwing. Het zwaartepunt ligt op het clusteren van bedrijven, het zogenoemde segmenteren. Elders is een media- en cultuurpark in ontwikkeling. In en rond de karakteristieke gebouwen van de voormalige gasfabriek komen grafische bedrijven, studio’s en uitgeverijen. Dichter bij het centrum van Haarlem is dubbel grondgebruik verplicht en zijn de eerste bedrijfspanden met auto’s op het dak verrezen. Op het terrein ten noorden van NS-station Haarlem Spaarnwoude – een toplocatie die vreemd genoeg nog braak ligt – gaan parkeernormen gelden en komen hoge kantoorgebouwen. Middenin de Waarderpolder is een staaltje van vernieuwing te vinden. Een oude uitgeverij is omgetoverd in het multifunctionele Crown Business Center. Behalve onderdak aan tal van bedrijven, biedt het hoogwaardige faciliteiten waar ook anderen gebruik van kunnen maken. Er zijn chique vergaderruimten, er is een restaurant op stand in gevestigd en er zijn collectieve voorzieningen als kinderopvang en fitnessruimte.

Duurzaam
Inrichting van een volledig nieuw bedrijventerrein in daartoe vrijgemaakt weiland is een heel ander verhaal. Geen lastige sanering of gevestigde belangen waarmee rekening moet worden gehouden. In Heemskerk ligt “het meest milieuvriendelijke bedrijventerrein van Nederland” zoals projectontwikkelaar de Kennemer Bouwgroep op elke mailing vermeldt. De Trompet is 18 hectare groot en wordt doorsneden door een spoorlijn. Het deel dat wegens leidingen niet bebouwd kan worden wordt ecologisch ingericht met water en groen. Fase 1 aan de westzijde van het spoor is bijna gereed. In juni 2001 gingen de eerste bedrijven van start. Van de 60 vestigingen die er zullen komen zijn er 45 in bedrijf, het merendeel kleinschalig.
De Trompet is een fraai ogende blikvanger in het landschap en een voorbeeld van duurzaamheid. De architectuur doet eerder aan woningbouw denken dan aan een bedrijventerrein: geen ‘dozen’ maar op het zuiden gerichte punten en bogen, bakstenen in plaats van prefab wanden en golfplaten. Bedrijfsunits worden aangeschakeld gebouwd en in twee lagen opgeleverd. Op het dak kan een derde verdieping worden gebouwd. Langs de gevel zonnepanelen die 40.000 kW aan stroom opleveren. Binnen zijn HR-lampen aangebracht. Op het terrein is een gescheiden rioolstelsel. Het bedrijfsafval wordt gescheiden en vervoerd door één transportbedrijf. De projectontwikkelaar hanteert een selectief vestigingsbeleid.
Door de keuze van het materiaal én de installatie van warmtepompen wordt een grotere reductie van CO² uitstoot bereikt dan het streven van 40%. Daar staat tegenover dat De Trompet, gelegen aan de A9, vooral per auto (en fiets) bereikbaar is en niet per openbaar vervoer. Herman Gerrits van de Kennemer Bouwgroep: “Een energiezuinig park heeft het imago van duur, maar op termijn is het goedkoper dan elders. Ik trek belangstellenden vrij snel over de streep. Men waardeert de veiligheid, de uitstraling en de goede bereikbaarheid. Bedrijven zijn verplicht lid van de Vereniging van Eigenaren. De investeringen in voorzieningen brengen ze grotendeels zelf op. Voor de aanleg van warmtepompen is aanvullende subsidie ontvangen.”
De gemeente, initiatiefnemer van De Trompet, is nauw betrokken bij de ontwikkeling. En heeft het druk met de PR. Projectleider Thea Olivier van EZ: “We worden veel gebeld door andere gemeenten, maar ook door studenten uit het hoger onderwijs. Wij leiden regelmatig bezoekersgroepen rond.”

Parkmanagement
Nieuwe ster aan het firmament is de parkmanager. Parkmanagement voegt extra kwaliteit toe aan bedrijventerreinen. Een voorbeeld. De Schiphol Area Development Company (SADC) heeft in 1999 dochter Parkmanagement BV op de wereld gezet. Het parkmanagement coördineert facilitaire diensten, het voert ze niet zelf uit. In het (verplichte) basispakket zit gebiedsbeveiliging, coördinatie afvalinzameling, vervoermanagement en onderhoud van de openbare ruimte. Bedrijven kunnen dat pakket aanvullen met gebouwbeveiliging, afvaltransport e.d. Zowel de diensten als het management worden betaald uit contributiegelden van de Vereniging van Eigenaren. Op Business Park Lijnden functioneert het parkmanagement al, op terrein de Oude Meer is het in voorbereiding. De andere parken van SADC volgen nog.
Erwin Leydekkers van SADC: “Met parkmanagement leveren we een hoogwaardig bedrijvenpark waar de bewoners centraal staan. Wanneer bedrijven meer willen en het rendabel is, zorgen wij daarvoor.”

PIP
Een volgende stap is dienstverlening via internet, een service waarmee een bedrijvenpark zich kan onderscheiden. Op Westpoort in Amsterdam is er al ervaring mee opgedaan. Uitvinder GreyLam (telecom- en internetbedrijf) heeft er een logistiek snufje aan toegevoegd. Met Europees geld en steun van de provincie is het Parkmanagement Informatie Platform ontwikkeld, kortweg PIP. Het is in september 2002 operationeel geworden. Eerste gebruiker is het Anthony Fokker Business Park bij Schiphol, waar vier mensen het park managen. Hanco Ravelli van GreyLam: “PIP is een gesloten systeem. Bedrijven op het terrein kunnen melding doen van een kapotte lantaarnpaal voor de deur. PIP bevestigt de melding online en doet verslag van de afhandeling ervan. Bedrijven kunnen ook interactief bestellingen plaatsen, of het nu om het huren van een zaal, broodjes, fitness of om kinderopvang gaat. Als leveranciers op internet actief zijn, maken we een link op het PIP. Na afloop van de proefperiode neemt het Fokker Business Park het systeem af. Dan kunnen ook anderen het kopen of huren.”
De provincie steunt PIP in het kader van Cyberpolder, een project om met ICT de kwaliteit en concurrentiepositie van Noordhollandse bedrijventerreinen te vergroten. In maart 2003 wordt het project geëvalueerd.

Digitaal bereikbaar
Dataregiocentre op bedrijventerrein Noorderveld in Wormerveer is specialist in serverhosting. In een ruimte van Dataregiocentre, de co-locatie, worden de gegevens van klanten tegen stroomuitval, brand, inbraak e.d. beveiligd. Het bureau fungeert zo als een collectieve back up en is 7 dagen per week 24 uur per dag toegankelijk. Ook websites worden vanuit Dataregiocentre gedraaid. Directeur Carel Thomson: “Door deze dienstverlening zag Netshare uit Gouda er brood in glasvezelkabels naar Noorderveld aan te leggen.” Het gaat hier om particulier initiatief dat de digitale bereikbaarheid van bedrijventerreinen genereert en vergroot.
In Wieringerwerf is het de gemeente die investeert in de aanleg van een ICT-netwerk. John Dekker is projectleider voor de ontwikkeling van Robbenplaat (20 hectare in de 1e fase): “Voordat er wordt gebouwd willen we glasvezel, coax en mantelbuizen in de grond om meer hoogwaardige bedrijven te trekken. We hebben ICT-bedrijven uitgenodigd om te praten over aanleg van het net en zijn met één van hen, Multikabel, in zee gegaan. De gemeente neemt 65% van de onrendabele investering voor zijn rekening en versleuteld dat in de grondprijs.”
De bekende vicieuze cirkel van telecombedrijven die huiverig zijn voor de dure aanleg van glasvezel en een gemeente die op voorhand geen garantie voor afname kan geven, is hiermee doorbroken. Het ICT-netwerk ligt er voor het einde van 2002.

Het Programma herstructurering bedrijventerreinen van de provincie Noord-Holland dient ter verhoging van de kwaliteit van bedrijventerreinen. Nieuwe bedrijven moeten zich willen vestigen en ook bestaande bedrijven moet perspectief worden geboden. Het programma loopt tot 2004. Centraal staan de bereikbaarheid en het – zo mogelijk op duurzame wijze -opknappen, onderhouden en (her)inrichten van bedrijventerreinen.
In 2001 heeft de provincie een bedrag van € 6.264.443 geïnvesteerd in een achttal projecten. Daarnaast heeft Noord-Holland € 6,8 miljoen ontvangen van het rijk (TIPP-regeling). De provincie heeft dat bedrag – eveneens bestemd voor investeringen in bedrijventerreinen – vermeerderd met ruim € 5 miljoen aan cofinanciering. Omdat er meer goede herstructureringsplannen dan middelen zijn, is in 2002 een extra bedrag van € 2 miljoen uit het investeringsfonds FINH van de provincie voor dit doel aangesproken. Ook in 2003 wil het dagelijks bestuur (GS) van de provincie ruim € 2 miljoen uit het FINH investeren in de herstructureringsprojecten. De provincie treedt op als co-financier. Gemeenten en projectontwikkelaars nemen meestal de hoofdmoot van de financiering voor hun rekening.
Behalve een Programma herstructurering stimuleert de provincie sinds eind jaren negentig ook het duurzaam inrichten van bedrijventerreinen. Sinds 1999 is er een Programma duurzame inrichting bedrijventerreinen met een looptijd tot 2004. Jaarlijks stelt de provincie een bedrag van € 265.000 beschikbaar voor zaken als haalbaarheidsstudies en procesbegeleiding. Eind 2003 zijn er 40 lopende projecten. Voor subsidie komen projecten in aanmerking waarin voorzieningen worden gerealiseerd die tot minder milieubelasting en een geringer ruimtebeslag leiden. Gestreefd wordt naar een win-win situatie waarbij zowel het milieu als het bedrijf baat hebben bij de duurzame inrichting. De provincie werkt aan een website waardoor de opgedane kennis en ervaringen met duurzame bedrijfsterreinen voor een groter publiek toegankelijk worden.
Nieuw is het programma Innovatief Ruimtegebruik. Dat begint met een pilot: het ‘Bedrijventerrein van de toekomst’ in de Blaricummermeent (in voorbereiding). GS willen in 2004 een bedrag van € 1,8 miljoen beschikbaar stellen voor de (her)inrichting van bedrijventerreinen waarbij 10% ruimtewinst wordt geboekt en kwaliteit en duurzaamheid voorop staan.
In de toekomst zullen de drie programma’s in elkaar worden geschoven.

Categorie: Provinciaal beleid, Publicaties Tags: Duurzame bedrijventerreinen

Henry Meijdam: ‘Geen nieuwe overloop zonder balans tussen wonen en werken.’

22 september 2008 door Annemiek Onstenk

NH – 2003

Een motto heeft het streekplan nog niet. De bestuurders van het nieuwe college van GS hebben het op het moment van schrijven zelfs nog niet geaccordeerd. Het past bij de ruimte die GS de regio wil geven bij het vaststellen en uitvoeren van het Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord. Tot in het laatste stadium van de beleidsvorming wordt interactief gewerkt. Niets ligt nog vast. Maar als het aan gedeputeerde ruimtelijke ordening Henry Meijdam ligt, staan het herstel van de woon/werkbalans en de bereikbaarheid van het Noorden centraal. Rigide verboden komen er alleen waar bijzondere cultuurhistorie, natuur en landschap in het geding zijn. “Waardevolle dingen moet je niet aantasten.”

‘Ontwikkelen met kwaliteit’ heet het Ontwikkelingsbeeld. Welke kwaliteit heeft dit conceptplan dat het vigerende streekplan niet heeft?
“Er is meer samenhang tussen de functies. In het verleden gingen we vooral sectoraal te werk: iedereen moest z’n programma kwijt en zocht daarvoor een plekje in het streekplan. Nu zeggen we: als mensen ergens gaan wonen, moeten er ook plekken zijn waar ze kunnen recreëren en er moeten banen zijn. Deze aanpak leidt tot meer kwaliteit én tot een grotere uitvoerbaarheid.

U wilt in de regio alleen bouwen voor de eigen bevolking, kunnen bemiddelden uit de randstad geen villa in het groen kopen?
De nieuwe huisvestingswet staat niet toe mensen het wonen op een bepaalde plek te verbieden. Wat het thema wonen betreft is ons oogmerk wel vooral de eigen behoefte op te vangen.

Hoe garandeer je dat er beweging in de woningmarkt komt, dat het mooie wonen in het groen betaalbaar is voor (een deel van) de lokale bevolking zodat men doorschuift en ook starters op de huizenmarkt een kans maken?
Garanties voor beweging op de woningmarkt kun je niet geven. Gemeenten kunnen economische gebondenheid als regel voor toewijzing hanteren. Verder zal het wel zo blijven dat huizenkopers zich vrij kunnen vestigen. Maar vergeet niet dat met de opbrengst van dure villa’s aan het Wieringerrandmeer weer wat anders kan worden gedaan.

In de plannen zweven doelstellingen als welzijn en leefbaarheid en wonen/werken voor de eigen bevolking soms wel erg losjes boven de concrete voorstellen. De ontwikkelingskansen die worden geboden zijn fors. In het Toetsingskader staat dat Noord-Holland Noord bovendien de problemen van de deltametropool, lees de randstad, moet helpen oplossen. Wat wordt het, het accent op regionaal of toch oriënteren op de randstad?
“De koers is nog niet duidelijk vastgelegd, keuzen staan nog niet vast. Het ontwikkelingsbeeld is een poging de ruimtelijke vragen van het gebied op te lossen De manier waarop we dat doen is flexibel. We willen uitvoeringsgericht zijn met maximale betrokkenheid van mensen, het is geen plan voor in de la. Het streekplan dat op basis van het ontwikkelingsbeeld wordt gemaakt zal evenmin als toetsings- en controleapparaat worden ingezet. Het is niet meer van deze tijd om gemeenten op te leggen wat waar komt. Door samenspraak en overleg zorg je dat het gebied er zelf enthousiast mee aan de slag gaat.

U cijfert uzelf weg. Leidt zo’n opstelling tot uitholling van de rol van de provincie?
Nee, iedereen heeft inspraak maar wij moeten uiteindelijk de taart bakken.We veronachtzamen onze beleidsuitgangspunten niet. Het Ontwikkelingsbeeld, straks streekplan moet oplossingen bieden voor vraagstukken als de woonwerk balans en de ontsluiting van het gebied. De werkgelegenheid moet gelijke tred houden met de bevolking. Wij kiezen voor voldoende ruimte voor bedrijvigheid en willen alleen autonome groei van de bevolking toelaten. Voor woningbouw betekent dat een extra taakstelling van 30.000 woningen.
We onderscheiden gebieden waaromheen contouren zijn getrokken en gebieden die zo waardevol zijn dat we ze willen beschermen, zowel vanuit het oogpunt van natuur en milieu als cultuurhistorie. In het gebied dat overblijft kunnen gemeenten – binnen condities natuurlijk – hun gang gaan. Zo moet een bestemmingsplan altijd gepaard gaan met een beeldkwaliteitsplan.

Leidt interactief werken tot andere keuzen van GS?
Die kans bestaat. In Noord-Kennemerland leeft onder bestuurders de mening dat GS voorbij gaan aan hun inbreng. Zij hebben grote zorgen over de balans tussen het aantal inwoners en de werkgelegenheid. Als de mensen gelijk hebben en het voorliggende eerste concept onvoldoende voorziet in antwoorden, ben ik bereid dat aan te passen.

Er is uitgebreid aandacht voor zorg, huisvesting en welzijn van doelgroepen als ouderen, jongeren en jonge gezinnen. Maar er is, vergeleken met de andere terreinen, geen of weinig overleg geweest met betrokken instellingen, alleen met woningcorporaties. Hoe moet het met de uitvoering van de voornemens?
De hele situatie op welzijnsgebied zit in een ontwikkelingsfase. Door de vergrijzing moeten er nieuwe voorzieningen komen. Wij creëren daarvoor de ruimte. Het streekplan geldt voor tien jaar, met nog een doorkijk naar de volgende tien jaar. Gemeenten kunnen ook over een paar jaar nog invulling geven aan de plannen.

En als het gaat om het wegwerken van achterstanden?
Middels het Investeringsprogramma stedelijke vernieuwing (ISV) proberen wij in de noden van nu te voorzien. En er staan geen ijzeren schotten tussen ISV en uitvoeringsprojecten in het kader van het streekplan.

Landelijk lijkt polderen passé, u lijkt de smaak juist te pakken te hebben?
Je moet niet te veel kletsen zonder dat er een ei wordt gelegd. Waar het mij om gaat is het oplossen van problemen in het gebied. Dat gaat beter met een door betrokkenen gedragen streekplan. Als dat ouderwets is, het zij zo.”

 

Het plan in het kort

Centrale doelstellingen van het concept Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord zijn het vergroten van welzijn en leefbaarheid, groei van de regionale economie, bouwen voor de eigen bevolking en verbetering van de bereikbaarheid van het gebied. Wie daarbij vooral aan kleinschaligheid denkt, komt bedrogen uit. De Woning- en (spoor)wegenbouwers kunnen voorlopig voort in het gebied. Bloembollen, glastuinbouw en andere bedrijvigheid krijgen ruim baan. Voor de waterberging bestaan grootse plannen. Van grove lijnen, gauw klaar is evenwel geen sprake. Het plan getuigt van precisiewerk, waarbij bestemmingen zorgvuldig zijn ingepast. Karakteristiek open gebied – bijvoorbeeld tussen Castricum-Limmen en St. Pancras-Alkmaar – wordt beschermd, evenals cultuurhistorisch erfgoed als de Westfriese Omringdijk. Gebieden die ook beschermd zijn volgens de Habitat- of Vogelrichtlijn, zoals de Leekerlanden, zijn uitgesloten van verstedelijking of ander ruimtelijk ingrijpen.

 

Woningbouw

Tot 2030 komen er 65 000 woningen bij, inclusief de al vastliggende contingenten (± 35000 woningen). De stedelijke gebieden Heerhugowaard, Alkmaar en Langedijk (HAL) en Hoorn, Enkhuizen en Streek (HES) mogen verder groeien als respectievelijk centrumstad en bandstad, maar zullen niet aan elkaar groeien. Woningbouw in en rond kleine kernen wordt toegestaan.

Gemeenten krijgen meer vrijheid dan in het verleden om hun plannen voor woningbouw te ontwikkelen. De provincie stelt wel randvoorwaarden, zoals het in overleg met buurgemeenten opstellen van een woonvisie.

Waardevolle natuur en cultuurhistorie worden beschermd. Waar het volgens GS kan, is mooi wonen in het groen toegestaan.

 

Bedrijfslocaties

Het bedrijfsleven krijgt eveneens de kans om uit te dijen, geconcentreerd rond een aantal locaties. Men kiest niet voor bedrijvigheid langs corridors. Er komen nieuwe regionale bedrijventerreinen bij Den Helder (functie maritiem), West-Friesland (transport), Wieringermeer (agribusiness) en Alkmaar (overige bedrijvigheid).

De bloembollenteelt krijgt extra ruimte in de Noordkop (2900 ha.), de glastuinbouw in de Wieringermeer, Het Grootslag (bij Andijk) en Heerhugowaard. Om extra werkgelegenheid te scheppen wordt in de Wieringermeer grootschalige glastuinbouw gecombineerd met een agribusinesscentrum.

 

Fysieke infrastructuur

De N99 wordt opgewaardeerd. Als de aanleg van het Wieringerrandmeer doorgaat, zal nut en noodzaak worden onderzocht van een omlegging van de rijksweg naar Wieringenwerf of Middenmeer (aansluiting op A7). Over het tracé van de Westfrisiaweg en over de vraag of de weg nieuw wordt aangelegd dan wel opgewaardeerd, wordt uiterlijk in 2005 een beslissing genomen. De A9 naar Alkmaar zien GS graag verbreed. Het spoor kan op verschillende trajecten worden verdubbeld.

 
Water

De capaciteit voor waterberging groeit met 2%. In nieuwe stedelijke gebieden moet 11% van de oppervlakte water kunnen opvangen en/of bergen.

 

Sociale infrastructuur

Er is aandacht voor huisvesting, zorg en welzijn voor doelgroepen als ouderen, jongeren en jonge gezinnen. De provincie geeft een aanzet om problemen als de vergrijzing en verschraling van voorzieningen op het platteland het hoofd te bieden. Gemeenten worden uitgenodigd met concrete plannen  te komen.

Het plan voorziet in de bouw van 8700 aangepaste nieuwe woningen voor het zelfstandig wonen van mensen die zorg behoeven. Alle andere nieuwbouwwoningen moeten levensloopbestendig zijn.

De problemen van starters om aan een woning te komen hoopt de provincie te ondervangen met doorstroming op de huizenmarkt.

Categorie: Provinciaal beleid, Publicaties

Jeugdzorg op weg naar volwassenheid

18 september 2008 door Annemiek Onstenk

PM, magazine voor de overheid – 2008

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid pleit in zijn rapport Bewijzen van goede dienstverlening (2004) al voor lerende organisaties voor maatschappelijke dienstverlening, die hun expertise ontwikkelen door zelfreflectie en toezicht. In de jeugdzorg is dit proces in volle gang. Joke de Vries, hoofdinspecteur van de Inspectie jeugdzorg, en Adri van Montfoort, lector Jeugdzorg en jeugdbeleid laten hun licht schijnen over professionalisering.

De Vries juicht toe dat het onderwerp professionalisering zo prominent op de agenda staat. De Inspectie heeft er lang genoeg voor aan de bel getrokken. ‘De aandacht is steeds naar het verminderen van de caseload gegaan, maar professionalisering vind ik veel belangrijker, zowel van uitvoerende medewerkers als van de managers.’ De hoofdinspecteur formuleert het probleem voorzichtig: ‘Medewerkers in de jeugdzorg zijn bevlogen en begaan met de kinderen en hun gezinnen. Ze doen hun best, maar hebben te weinig professionele handvatten voor hun werk. Ze moeten meer steun krijgen vanuit het management en vanuit hun beroepsgroep.’
Van gezinsvoogden, om met een gezichtsbepalende groep jeugdzorgwerkers te beginnen, mag verwacht worden dat zij kunnen signaleren wat er mis is in de gezinnen waar zij komen, vindt De Vries. ‘Zij moeten dat niet alleen opschrijven, maar ook actie ondernemen. Voogden beschikken idealiter over voldoende bagage om te kunnen beoordelen wat hen te doen staat. Dat is bijvoorbeeld vanaf het begin duidelijke afspraken maken met de ouders. Zijn er verschillende hulpverleners bij een gezin betrokken, dan moet er onderling goed worden gecommuniceerd. De gezinsvoogd heeft de regie en spreekt samenwerkingspartners aan op hun taak en verantwoordelijkheid. Bij calamiteiten zien we regelmatig dat er niet adequaat op signalen wordt gereageerd.’
Een gezinsvoogd moet ‘niet solitair’ optreden, vindt de hoofdinspecteur. ‘Teamleiders horen de handelwijze van een gezinsvoogd door te nemen en te checken.’ Een dergelijke ingebouwde double check vergroot de zekerheid dat juiste beslissingen worden genomen. Joke de Vries benadrukt dat het haar niet gaat om controle door leidinggevenden vanuit een houding van achterdocht. Wat haar betreft is goed intern toezicht een vast onderdeel van professioneel handelen, dat met respect moet gebeuren.

Geen standards
De Vries kan wel een oorzaak noemen voor de gebrekkige professionaliteit: ‘Er is geen opleiding voor gezinsvoogden, met een doorlopende lijn van de opleiding naar het beroep. Een traditie met een wetenschappelijke onderbouwing van het vak, zoals bij geneeskunde, ontbreekt en competenties moeten nog worden ontwikkeld.’ De verschillende beroepsgroepen in de jeugdzorg gaan wat De Vries betreft samen met het HBO werken aan goed vakonderwijs.
Zij vindt in ieder geval Adri van Montfoort, de kersverse lector Jeugdzorg en jeugdbeleid aan de Hogeschool Leiden, aan haar zijde. Professionalisering van jeugdzorgwerkers is deel van zijn opdracht. Van Montfoort zet een tweejarige masteropleiding op voor ervaren beroepskrachten. In september 2008 start de eerste groep, die gaat reflecteren op ingewikkelde beroepssituaties en casuïstiek zal uitwerken. Uit de aanmeldingen tot nu toe blijkt dat het om een gemêleerde groep gaat: leidinggevenden en uitvoerenden uit de jeugdzorg, een justitiële inrichting en de kinderbescherming. Daarmee staat automatisch ook ketensamenwerking op het programma: ‘Mensen denken vaak te zeer vanuit hun eigen vak, terwijl ze in het belang van het kind overstijgend moeten werken,’ zegt Van Montfoort. Hij vindt dat professionals daarbij moeten putten uit een mix van benaderingen van probleemsituaties. ‘Ik heb bezwaar tegen het centraal stellen van één manier van werken. Afhankelijk van de situatie kom je als professional tegemoet aan vragen van cliënten of treed je normatief op. Met een risico van gebroken armpjes en beentjes ga je anders om dan met gedragsproblemen.’
De Vries en Van Montfoort spreken, los van elkaar, allebei uit geen behoefte te hebben aan nieuwe protocollen van de manier van werken. Joke de Vries: ‘Alsjeblieft geen standaardlijstjes waarop medewerkers één, twee en drie afvinken. Ze moeten altijd blijven nadenken, elke situatie is verschillend. Als de professionals maar weten welke interventies werken en waaróm ze werken.’ Adri van Montfoort bevestigt dat en is net als De Vries van mening dat professionals nooit iets alleen moeten doen: ‘Ik houd hen voor altijd een collega te vragen hoe die erover denkt. Dat verkleint de kans dat het misgaat.’ Hij vindt bovendien dat leidinggevenden weer inhoudelijk leiding moeten geven. Van Montfoort: ‘Vroeger was de teamleider een ervaren professional, die met verstand keek naar het kind en het gezin. De afgelopen tien jaar kwamen er teamleiders zonder achtergrond in de sector. Ik wil een herwaardering van de directe en inhoudelijke ondersteuning van de uitvoerende werkers.’

Aparte beroepsopleiding?
Het Leidse lectoraat zet ook een minor op, een keuzevak Preventie en vroegsignalering: de beroepskracht in het centrum voor jeugd en gezin voor vierdejaars HBO-studenten van verschillende studierichtingen. ‘Het is een eerste stap in de richting van een specialisering in ‘jeugd’, zegt Adri van Montfoort. In de landelijke HBO-wereld speelt de vraag of er een aparte opleiding jeugdzorg moet komen. Van Montfoort. ‘Een aparte HBO-opleiding is mogelijk, maar specialisering in jeugdzorg kan ook in varianten binnen bestaande studierichtingen. Ik zou de verbindingen met maatschappelijk werk, sociaalpedagogische hulpverlening en pedagogiek in het oog willen houden.’

Er is nog een weg te gaan, stelt Joke de Vries, voordat de expertise die de sector opbouwt zich als een olievlek heeft verspreid en overal in de praktijk is doorgedrongen. ‘Laat mensen vooral veel bij elkaar in de keuken kijken.’

Actieplan professionalisering jeugdzorg
Met Operatie Jong is blootgelegd op welke punten jeugdbeleid en jeugdhulpverlening verbeterd kunnen worden. Het coördinerende programmaministerie voor Jeugd en Gezin moet de operatie afmaken. In dat kader is er in opdracht van minister Rouvoet door beroepsverenigingen, werkgevers van jeugdzorgorganisaties, hoger onderwijs en het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) het Actieplan professionalisering jeugdzorg opgesteld. Taken en thema’s waarmee zij, in deelprojecten, aan de slag gaan zijn actualisering van de opleidingen, het ontwikkelen van een duidelijke beroepenstructuur, nascholing, versterking van de verschillende beroepsverenigingen, beroepsregistratie, tuchtrecht en beroepscode. Het NJi coördineert de uitvoering van het Actieplan en de verschillende deelprojecten. ‘Het is van belang dat medewerkers in de jeugdzorg weer trots zijn op hun beroep,’ stelt programmacoördinator Marianne Berger van het NJi.
Contact: Marianne Berger, NJi, t: 030 2306532, e: m.berger@nji.nl. Meer informatie: www.nji.nl/professionaliseringjeugdzorg

Categorie: Jeugdzorg, Publicaties Tags: Jeugdzorg

André Rouvoet over pleegzorg

18 september 2008 door Annemiek Onstenk

Pleegcontact – 2008

Zelf ziet André Rouvoet, behalve minister voor Jeugd en Gezin vader van vijf kinderen, geen kans zich ook nog als pleegouder verdienstelijk te maken. Maar hij maakt, ondanks de drukte van de naderende begrotingsperikelen, graag wat tijd vrij om zijn activiteiten rond de positie van pleegouders toe te lichten. ‘Pleeggezinnen zouden niet nodig moeten zijn. Maar ik ben natuurlijk heel blij dat ze er zijn.’

Het regeringsbeleid is gericht op zelfredzaamheid (de Wet maatschappelijke ondersteuning) en zoveel mogelijk opgroeien in het eigen gezin. Zonodig krijgen ouders hulp vanuit laagdrempelige voorzieningen als de Centra voor Jeugd en Gezin. Tegelijk neemt het aantal plaatsingen in pleeggezinnen toe en is er een wachtlijst voor pleeg- en jeugdzorg. Vanuit welke visie weegt de minister de belangen af tussen het regeringsbeleid, de ontwikkeling van kinderen, ouders en pleegouders?
Rouvoet: ‘Kinderen groeien bij voorkeur op in het eigen gezin, maar als dat niet realiseerbaar is heeft een pleeggezin onze voorkeur boven een residentiële instelling. Ik zou natuurlijk het liefste willen dat plaatsing in een pleeggezin niet nodig is. Zonder onrecht te willen doen aan pleegouders, is pleegzorg voor mij zeg maar next best. Tegelijkertijd zeg ik er bij dat voor heel veel kinderen een pleeggezin wél de beste oplossing is, omdat het in het eigen gezin niet gaat. Ik ben dan ook ontzettend dankbaar dat er pleeggezinnen zijn. Ik heb een aantal pleeggezinnen bezocht en ben diep onder de indruk van hun werk. Hun inzet is enorm en veel pleegouders brengen ook de nodige offers.’
De waardering van de minister blijft niet bij woorden alleen. Als belangenverenigingen van pleegouders aankloppen voor zaken die zij verbeterd willen zien en voor het oplossen van knelpunten, kunnen ze in Den Haag in ieder geval rekenen op aandacht. En vaak op de bereidheid tot het doorvoeren van een aantal concrete maatregelen. ‘Ik wil een versterking van de positie van pleegouders,’ beaamt André Rouvoet volmondig. Maar pleegouders zijn niet de enige partij als het gaat om de pleegzorg. Hij praat ook met de provincies, met kinderrechters en anderen. ‘Wij hebben nu een wetgevingstraject ingezet waarbij we álle partners horen. De Tweede Kamer weegt de verschillende belangen tegen elkaar af en neemt de uiteindelijke beslissing.’ De voorstellen voor wetswijziging betreffen onder andere het blokkaderecht van pleegouders. Bij vrijwillige plaatsingen kunnen pleegouders de kinderrechter al vragen over- of terugplaatsing van hun pleegkind tegen te houden. Pleegouders van kinderen die onder toezicht zijn gesteld (de zogenoemde justitiële plaatsingen) en minimaal een jaar in het pleeggezin wonen, krijgen dat recht ook. Dat is althans de inzet van de ministers Rouvoet en Hirsch Ballin, de twee indieners van de wijzigingsvoorstellen.

Einde maken aan onzekerheid
Rouvoet wil een einde maken aan de onduidelijkheid en onzekerheid voor kinderen. Na twee jaar onder toezichtstelling moet een besluit worden genomen over de vraag of een kind terug kan naar huis of in het pleeggezin blijft wonen. ‘Als een definitief besluit nog niet mogelijk is, moet er een duidelijke uitleg zijn waarom de OTS weer een jaar verlengd wordt.’
De positie van pleegouders zal verbeterd worden in de Wet op de jeugdzorg. In een brief aan de Tweede Kamer over de initiatiefnota Gezin boven tehuis over pleegzorg die Coşkun Çörüz en Mirjam Sterk van het CDA eind 2007 indienden, liet de minister in juli weten te onderzoeken of het mogelijk is pleegouders instemmingsrecht te geven. ‘Als dat niet kan, wil ik bekijken of adviesrecht een goed alternatief is.’
Op het materiële en praktische vlak is de rijksoverheid al tegemoet gekomen aan een aantal wensen van pleegouders en de NVP. De indexatie van de pleegzorgvergoeding gebeurt nu aan het begin van het jaar in plaats van achteraf. Ook is de regeling van toeslagen verbeterd. Gezinnen die meerdere pleegkinderen hebben, aan crisisopvang doen en/of zorgen voor een gehandicapt pleegkind kunnen meerdere toeslagen krijgen, die bovendien zijn verhoogd en worden geïndexeerd. De eigen bijdrage van jongeren zal na behandeling van de genoemde wetswijzigingen worden afgeschaft.
Sinds 1 januari 2008 is er een nieuw probleem bijgekomen, waarvoor pleegouders aandacht vragen. Via de belastingen krijgen ouders die kinderbijslag ontvangen een kindertoeslag (die in de plaats van de kinderkorting is gekomen en vanaf 1 januari 2009 verandert in een kindgebonden budget), pleegouders niet. Ook Kamerleden stelden er deze zomer vragen over. Rouvoet: ‘Het is een urgente kwestie en ik ben er mee bezig. Er zit inderdaad een ongerijmdheid in de regeling, die we proberen te repareren. Het is een ingewikkeld probleem, omdat we de consequenties van een tegemoetkoming nog niet helemaal kunnen overzien. Maar er wordt hard aan gewerkt!’

Categorie: Jeugdzorg, Publicaties Tags: Versterk positie pleegouders

Coskun Çörüz: ‘Pleegouders beter toerusten.’

18 september 2008 door Annemiek Onstenk

Pleegcontact – 2008

Een werkbezoek aan een gezin met eigen en pleegkinderen maakte diepe indruk op hem. ‘Het was heel mooi hoe de gezinsleden met elkaar omgingen. Dat beeld verdwijnt nooit meer. Het je zo inzetten voor de meest kwetsbaren is fantastisch.’ Coşkun Çörüz wil zijn lof kracht bijzetten met maatregelen. ‘Er zijn nog teveel conflicten tussen ouders en pleegouders, bijvoorbeeld over schoolkeuze en paspoorten. Pleegouders worden in deze zaken onvoldoende erkend. Hun positie moet in de Wet op de jeugdzorg verankerd worden.’ Gesprek met Tweede Kamerlid Coşkun Çörüz (CDA).

Als jurist verdiepte hij zich al in onderwerpen als OTS en pleegzorg. Nu hij kamerlid is zijn de obstakels voor pleeggezinnen en de problemen van pleegkinderen voor Çörüz aanleiding er ook politiek wat aan te willen doen. Dat voornemen heeft de vorm van een initiatiefnota gekregen, waarmee kamerleden zelf een maatschappelijk thema op de parlementaire agenda kunnen zetten.
Om goed inzicht te krijgen in de situatie hebben Çörüz en mede-indiener Mirjam Sterk hoorzittingen georganiseerd en verschillende werkbezoeken afgelegd. ‘Ook word ik veel benaderd door pleegouders,’ zegt Çörüz. ‘Hun klachten gaan vaak over de grote verschillen in uitvoering tussen de Bureaus Jeugdzorg. Naar mijn mening is er tevens achterstallig onderhoud in de ondersteuning van pleegouders. De begeleiding blijkt per provincie en regio verschillend te zijn. Het kan niet zo zijn dat pleeggezinnen in de ene stad aanspraak kunnen maken op thuiszorg wanneer een verzorger tijdelijk uitvalt of op een bepaalde financiële vergoeding, terwijl dat elders niet zo is of pleegouders geen weet hebben van hun rechten. Hoewel er ruimte voor maatwerk moet zijn, ben ik voorstander van gelijke regels voor alle Bureaus Jeugdzorg.’

Hoeksteen
Een van de concrete voorstellen van de kamerleden is dat kinderrechters een OTS voor bepaalde tijd moeten kunnen uitspreken, bijvoorbeeld voor een periode van tweeënhalf jaar. Nu kan een OTS voor maximaal een jaar worden uitgesproken met de mogelijkheid van een jaarlijkse verlenging. ‘Zo’n flexibele OTS is beter voor de rust van het kind, van de (pleeg)ouders en van de professional.’ Çörüz wil het recht van pleegouders op gespecialiseerde hulp graag opnemen in de Wet maatschappelijke ondersteuning. En ook vindt hij dat een crisisplaatsing vergoed moet worden gedurende de hele tijd dat de plaatsing duurt, in plaats van de huidige maximumtijd van vier weken.
Op één punt zijn Çörüz en Sterk in hun initiatiefnota terughoudend. De wens van veel pleegouders om ‘niet te blijven OTS’en’, zoals Çörüz het noemt, en het gezag van de biologische ouders na aantal jaar uithuisplaatsing te beëindigen, deelt hij niet. ‘Ik heb aarzelingen bij het helemaal doorknippen van de juridische band met de biologische ouders. Wat zijn de gevolgen voor het kind op de lange termijn? Minister Rouvoet stelt voor het gezag van de biologische ouders na twee jaar uithuisplaatsing over te brengen naar een instelling. Dat is onomkeerbaar en daarom vind ik het te ver gaan. Als het om misbruik of verwaarlozing gaat, is beëindiging van het ouderlijk gezag voor mij evident, maar in andere gevallen zeg ik nee.’
Çörüz en Sterk stellen in hun nota voor verder onderzoek te doen naar de verhouding tussen de opvoedingsrelatie die pleegouders met het kind hebben en de gezagsrelatie van de ouders. Het is de bekende reflex in het Nederlandse politieke polderlandschap: een moeilijke beslissing verder voor zich uitschuiven door het laten vervaardigen van een nieuw onderzoeksrapport. Waar andere landen de schade voor uithuisgeplaatste kinderen juist proberen te beperken door het na verloop van tijd de kans te bieden zich onvoorwaardelijk te hechten in een nieuw gezin, blijft Nederland op twee benen hinken: verzorging en opvoeding in het pleeggezin en ouderlijk gezag in het gezin van herkomst. Het gaat Çörüz echter niet alleen om politiek manoeuvreren: ‘Ik heb zelf kinderen en moet er niet aan denken dat ik, wanneer ik door omstandigheden een paar jaar niet voor hen kan zorgen, het gezag kwijtraak!’
Het kamerlid zit in een moeilijk parket. Voor het CDA is het gezin de hoeksteen van de samenleving, maar wat te doen wanneer er twéé gezinnen bij een kind betrokken zijn, zoals bij pleegzorg? Het uitgangspunt is helder. Çörüz: ‘Ik vind dat de politiek niet alleen waardering moet uitspreken voor pleegouders en pleegzorg als waardevolle vorm van jeugdzorg moet koesteren. We moeten pleeggezinnen ook beter toerusten en hun positie versterken.’ Aan onder andere pleegouders om te beoordelen of de mooie woorden van nu later in politieke daden worden omgezet.

Coşkun Çörüz is jurist en sinds zeven jaar lid van de Tweede Kamer voor het CDA, waar hij onder andere woordvoerder is voor jeugdzorg. In november 2007 diende hij samen met CDA-Kamerlid Mirjam Sterk een nota over pleegzorg in: Gezin boven tehuis. De Kamerleden vragen daarin onder andere aandacht voor een aantal problemen waar pleegouders mee te maken hebben en doen een twintigtal aanbevelingen om hun (rechts)positie te verbeteren.
Minister Rouvoet en Kamerleden van andere fracties hebben de nota met instemming ontvangen en aanvullende vragen gesteld. Eind 2008 wordt de nota behandeld in de voltallige vergadering van de Tweede Kamer, met de opstellers ervan achter de regeringstafel, zoals met initiatiefnota’s gebruikelijk is.

Categorie: Jeugdzorg, Publicaties Tags: Pleegzorg

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 59
  • Pagina 60
  • Pagina 61
  • Pagina 62
  • Pagina 63
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 68
  • Ga naar Volgende pagina »

Primaire Sidebar

    Artikelen

    Selecteer subcategorie
    category
    6a15af0d1f977
    1
    1
    27
    Loading....

    Volg mij op

    • LinkedIn

    © 2026 Annemiek Onstenk, journalist | Tekst, redactie & research | Techniek WordPress | Realisatie Zin in Webdesign