• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de eerste sidebar
Annemiek Onstenk Journalist

Annemiek Onstenk Journalist

tekst, redactie & research

  • Home
  • Tekst
  • Redactie
  • Research
  • CV
  • Klanten
  • Contact
  • Kanaalpost

Annemiek Onstenk

Inburgeringscursus als exportartikel

5 september 2008 door Annemiek Onstenk

Het Parool – 2003

Het kabinet wil dat de inburgering van migranten die naar Nederland komen voor gezinsvorming, begint in het land van herkomst. Volgend jaar wordt dat wettelijk verplicht. Instituut Oranje loopt daarop vooruit en opent binnenkort haar deuren in het Marokkaanse Rifgebied. Initiatiefnemers Hammadi Ajmidar en Maryann Jongens gaan kandidaat-Amsterdammers vanaf maart 2004 Nederlandse taal en cultuur onderwijzen. ‘Wij zijn de eerste commerciële aanbieder op locatie.’

Zij ergeren zich aan recente uitlatingen van wethouder Oudkerk en anderen over het op eigen kosten inburgeren. ‘Mensen zouden het niet kunnen betalen. Zij steken zich in de schulden en zouden het juiste instituut niet kunnen kiezen. De betutteling van die groep moet eens afgelopen zijn,’ zeggen Hammadi Ajmidar, Marokkaan van origine en zijn Nederlandse compagnon Maryann Jongens. ‘Je neemt mensen juist serieus als ze voor hun taalles moeten betalen.’
Nieuwkomers moeten nu ‘op inburgering’ bij een ROC. Dat kost de overheid € 6000 per persoon. Instituut Oranje gaat het voor ongeveer € 4000 doen. ‘De overheid betaalt 70% van de kosten terug van het in Nederland met goed gevolg af te leggen inburgeringsexamen. In Marokko zijn de kosten voor eigen rekening.’ Hammadi Ajmidar: ‘Migranten zijn vaak ondernemend, zij hebben wat in hun mars én hebben de drive om te gaan. Zij zullen daarom wat over hebben voor hun emigratie.’
Hoewel ze zijn bedenkingen van tafel vegen willen Ajmidar en Jongens graag met wethouder Rob Oudkerk samenwerken. Zij hopen de Marokkanen die hun (liefdes)pijlen op Amsterdam richten te verwelkomen als eerste pupillen van Instituut Oranje.

Het plan om zelf inburgeringslessen aan te bieden ontstond een klein jaar geleden. De Algemene Rekenkamer bracht een zeer kritisch rapport uit over de resultaten van de inburgering van nieuwkomers. Er waren veel uitvallers en slechts 40% van de mensen spraken na de cursus voldoende Nederlands om zelfredzaam te zijn. 10% van de nieuwkomers kon door naar een opleiding of de arbeidsmarkt. ‘Analfabeten, hoog- en laagopgeleiden zitten bij het ROC in dezelfde groepen,’ schampert Maryann Jongens, ‘zodat ze na maanden nog geen woord Nederlands spreken. Bij commerciële instituten kunnen mensen al na twintig uur les een beetje uit de voeten. Marokkanen worden te stom gevonden, maar ik zou in een groep van 25 ook geen taal kunnen leren.’
In regeringsverklaring en troonrede kondigde Balkenende II de inburgering nieuwe stijl aan. Eén van de elementen in de nieuwe Wet op de inburgering die volgend jaar wordt verwacht is dat het inburgeren begint in het land van herkomst. Daar zal de Nederlandse ambassade toetsen of men voldoende weet van de Nederlandse taal en samenleving. Vervolgens mag men zich hier voorbereiden op het inburgeringsexamen dat uiteindelijk toegang tot Nederland verschaft. Het kabinet spreekt mensen graag aan op hun eigen verantwoordelijkheid, dus moeten de inburgeraars zelf betalen. Ze zijn vrij om te kiezen wie hen de Hollandse beginselen bijbrengt, de gedwongen winkelnering bij het ROC is binnenkort voorbij.
Instituut Oranje is, wat Marokko betreft, de eerste die in dat gat op de markt springt. In de naam komen de koningin, het Nederlands elftal en de Noord Afrikaanse sinasappel samen. ‘Wij gaan het helemaal anders doen, beter ook,’ zegt Maryann Jongens. ‘Hoog- en laagopgeleiden komen in aparte groepen van hooguit 15 mensen. Ook maken we onderscheid tussen vermoedelijke toekomstige opvoeders en werkers. We bieden 320 uur taal en cultuur aan in Marokko en 280 uur in Nederland, om in de praktijk te kunnen oefenen. Mensen die het sneller kunnen, nemen minder uren af. We voegen in Nederland geen groepen samen, Marokkanen met Turken bijvoorbeeld, zodat we het lesmateriaal zoveel mogelijk kunnen laten aansluiten bij de taal of talen die mensen al beheersen. In het Arabisch heb je bijvoorbeeld geen voornaamwoorden. En de p kent men daar ook niet. Daar houd je allemaal rekening mee.’
En de cultuur, gaan mensen leren dat het uitschelden van joden en homoseksuelen strafbaar is in Nederland? ‘We bieden modules maatschappijoriëntatie aan met staatsinrichting, de grondwet, de scheiding van kerk en staat, emancipatie, het onderwijs en de arbeidsmarkt. We willen ook aandacht besteden aan hoe migranten in Nederland leven. Docenten gaan vertellen hoe ze zelf wonen. Men moet een reëel beeld krijgen van Nederland, niemand moet de illusie hebben dat je meteen rijk bent als je hier aankomt.’

Jongens is docent en woonde jarenlang op Curaçao. Ze had er een taleninstituut en verzorgde onder andere Nederlandse taallessen voor Latijns Amerikanen. Ajmidar is momenteel directeur van een Rotterdamse stichting die zorgt voor de inburgering van migranten die al langer in Nederland zijn, de zogenoemde oudkomers. ‘We zetten alleen docenten in met een Marokkaanse achtergrond. Om daar als docent geaccepteerd te worden en mogelijke drempels weg te nemen, is het een pluspunt zelf Marokkaan te zijn.’ De leerkrachten vliegt Instituut Oranje vanuit Nederland in. Zij worden tijdelijk gehuisvest in Nador, Al-Hoceima en Tanger, de drie plaatsen waar de eerste 100 mensen over enkele maanden kennis kunnen maken met de Nederlandse taal en cultuur.

Huwelijksmarkt
Is inburgeren in Marokko een manier voor de overheid om te selecteren aan de poort? ‘Misschien wel,’ lacht Hammadi. ‘Toen mijn vader hier als gastarbeider kwam werden Marokkanen geselecteerd op onderontwikkeling. Ze moesten immers ongeschoold werk doen en mochten niet gaan mopperen. Nu moeten ze juist iets meer kunnen.’
Ook vrouwen die van hun familie of toekomstige echtgenoot niet altijd onderwijs mogen volgen, moeten naar Nederlandse les om door het inburgeringsexamen te komen. ‘Dat is positief aan de inburgering nieuwe stijl,’ vindt Maryann Jongens. ‘De overheid bevordert hiermee de emancipatie, die zorgt dat er in de toekomst minder problemen zijn.’
Hammadi Ajmidar verwacht zelfs een verschuiving op de huwelijksmarkt. ‘Een belangrijk deel van de Marokkaanse jongeren luistert nog naar de ouders wat het zoeken van een huwelijkspartner betreft. Het naar hier halen van een onontwikkelde, onderdanige bruid uit Marokko zal minder worden. En dat is ook de bedoeling. Het schiet anders niet op met de Marokkanen in Nederland. Er zijn genoeg geslaagde Marokkaanse professionals die willen meedoen. We zien er alleen zo weinig van. Als de overheid de immigratie beter had gemanaged was het nu anders geweest.’

Categorie: Diversiteit, Politiek, Publicaties Tags: Inburgering

Jeugdzorg plus

5 september 2008 door Annemiek Onstenk

PM, magazine voor de overheid – 2008

Eind 2007 is in Den Haag een nieuwe woon/zorgvoorziening van start gegaan voor jongeren tussen twaalf en achttien jaar met ernstige gedrags- en psychiatrische problematiek: jeugdzorg extra van Stichting JJC (Jeugdformaat/Jutters Combinatie). Enkele jongeren die naar het centrum verhuisden, verbleven eerst in de jeugdgevangenis, hoewel zij niet strafrechtelijk zijn veroordeeld. ‘Het gaat bijvoorbeeld om slachtoffers van loverboys,’ zegt Fred Venus, directeur van Jeugdformaat, een van de initiatiefnemers. ‘Hun nieuwe onderkomen is totaal anders: het is niet helemaal gesloten en de jongeren hebben eigen verantwoordelijkheden. We bieden hen een veilige plek en doen bijvoorbeeld ook aan gezinsbegeleiding om mogelijk de weg terug naar huis te effenen.’
Jeugdformaat, dat ondermeer pleegzorg en ambulante, dag- en residentiële hulp biedt, en De Jutters, centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie willen met Stichting JJC voorzien in een lacune in het hulpaanbod. Kenmerk is over de grenzen van het eigen specialisme en hulpaanbod heenstappen en geïntegreerde zorg bieden. Venus: ‘De overlap tussen orthopedagogische vraagstukken en jeugdpsychiatrie is zo groot dat je de waterscheiding moet opheffen. Vanuit kinderen gezien kun je niet anders dan integraal hulp bieden. Wij brengen het beste van twee instellingen bij elkaar. De bestuurders en leidinggevenden van Jeugdformaat en De Jutters waren het gelukkig eens over het doel, het beste voor de jongere, zodat we niet in bloedgroepenkwesties verzeild zijn geraakt.’
Er zijn ook andere instellingen betrokken bij het verbeteren van de zorg: Bureau Jeugdzorg, een justitiële jeugdinrichting en een instelling voor licht verstandelijk gehandicapten. In 2010 komt er ook een nieuwe voorziening voor jongeren met een lichte verstandelijke handicap en psychiatrische problematiek. De ketenpartners zoeken daarnaast samenwerking met het (speciaal) onderwijs. ‘We willen behandeling, opvoeding en onderwijs in één setting,’ aldus Fred Venus.
Het nieuwe Haagse centrum past in het landelijke streven een alternatief zorgaanbod voor de gesloten jeugdzorg te ontwikkelen, onder de noemer jeugdzorg plus. Andere voorbeelden van integraal jeugdzorgaanbod zijn De Koppeling in Amsterdam en Paljas in de provincie Brabant. De op 1 januari 2008 in werking getreden gewijzigde Wet op de jeugdzorg maakt het mogelijk dat steeds meer ‘civielrechtelijke jongeren’, zoals ze worden genoemd, verhuizen van gesloten inrichtingen naar jeugdzorginstellingen.

Categorie: Jeugdzorg, Publicaties Tags: Jeugdzorg plus

Beroepsregistratie jeugdzorgwerkers

5 september 2008 door Annemiek Onstenk

PM, magazine voor de overheid – 2008

Veel vrijgevestigde maatschappelijk werkers zijn geregistreerd als vakbekwame professional. Onder medewerkers in zorginstellingen is registratie veel minder. Zij volgen vaak wel scholing maar geen super- en intervisie, die nodig zijn voor een beroepsregistratie. Voor jeugdzorg bestaat er zelfs geen beroepsprofiel en register, het is geen wettelijk erkend beroep. Daar komt nu verandering in. Een van de deelprojecten van het Actieplan professionalisering heeft betrekking op het beroepsregister voor jeugdzorgwerkers. De beroepsverenigingen Nederlandse Vereniging voor Maatschappelijk Werkers (NVMW) en Phorza, beroepsorganisatie voor sociale, (ortho)pedagogische en hulpverlenende functies, hebben in overleg besloten de registratie van de verschillende beroepsgroepen samen te voegen in één register voor agogisch en maatschappelijk werkers: BAMw. Er wordt een specialisatie jeugdhulpverlening ontwikkeld, met eigen toelatingseisen en toetsingscriteria. Het register is ondergebracht in een zelfstandige stichting; de beroepsverenigingen werven onder hun leden om zich daar te laten registreren.Professionaliseren kost geld
De NVMW is trekker van het deelproject beroepsregistratie en liet aan de hand van gesprekken met vele betrokkenen een discussienota opstellen over de beroepsregistratie in de jeugdzorg. ‘Een van de discussiepunten is de vraag of je registratie en bijscholing verplicht moet stellen,’ zegt Iris Leene, directeur van de NVMW. De voordelen zijn evident. ‘Als erkende, geregistreerde beroepskracht geef je te kennen je voortdurend te scholen en je vakkennis up to date te houden. Het vergroot je betrouwbaarheid en biedt klanten kwaliteitsgarantie. Bij maatschappelijk werk en jeugdhulpverlening gaat het doorgaans om kwetsbare groepen. Zij moeten kunnen rekenen op goede hulp- en dienstverlening. Registratie is daarvoor een middel, geen doel.’
Registreren kost tijd en geld. ‘Wij hebben overleg gevoerd met werkgevers in de branche en zij lijken bereid een deel van de registratiekosten van hun medewerkers te betalen. De beroepsverenigingen en de MOgroep Jeugdzorg hebben een principeakkoord gesloten in de vorm van een convenant, dat aan de achterban wordt voorgelegd,’ zegt Leene. Ze wijst erop dat de overheid, in wiens opdracht de jeugdzorg een professionaliseringsimpuls krijgt, zelf hier en daar het omgekeerde teweegbrengt. ‘Je ziet dat er ook laagopgeleiden in de zorg voor jeugdigen worden ingezet, bijvoorbeeld in de gehandicaptenzorg, vanwege bezuinigingen of omdat er geen gekwalificeerd personeel beschikbaar is. Laat ook voor de overheid duidelijk zijn dat professionaliseren geld kost!’

Categorie: Jeugdzorg, Publicaties Tags: Beroepsregistratie jeugdzorg

Met Nederlands beginnen in Marokko

5 september 2008 door Annemiek Onstenk

Trouw – 2003

Huwelijkspartners van buiten de EU die hier naartoe willen komen moeten zich in eigen land oriënteren op Nederland. Zij worden pas toegelaten wanneer zij slagen voor hun inburgeringstoets. Instituut Oranje begint binnenkort met het geven van lessen Nederlandse taal en cultuur in Marokko. Ongeletterde bruiden en bruidegoms maken bij het instituut weinig kans. ‘Wij richten ons op laag- en hoogopgeleiden. Wij gaan niet alfabetiseren.’Nieuwkomers moeten vóórdat zij hier worden toegelaten beschikken over basiskennis van het Nederlands, zo luidde het in de troonrede. Bij zijn aantreden had het kabinet Balkenende II al laten weten de inburgering op nieuwe leest te gaan schoeien. Ten eerste moet de inburgering van zogenoemde gezinsvormers in het land van herkomst beginnen. Met een beroep op de eigen verantwoordelijkheid komen de kosten die daar gemaakt bovendien voor rekening van de inburgeraars. Kosten die men in Nederland maakt worden deels vergoed, als de kandidaat tenminste voor het inburgeringsexamen slaagt. Het aanbod van inburgeringscursussen tenslotte wordt vrijgelaten. Aspirant nieuwkomers kunnen zelf kiezen bij wie zij hun cursus inkopen.
Minister Verdonk van Justitie riep particulieren onlangs op met voorstellen en initiatieven te komen om het nieuwe inburgeren gestalte te geven.
Hammadi Ajmidar en Maryann Jongens zijn het initiatiefstadium al voorbij. Vanaf maart 2004 kunnen de eerste 100 cursisten in de plaatsen Nador, Al-Hoceima en Tanger in het Marokkaanse Rifgebied terecht voor Nederlandse les. Hun Instituut Oranje (‘Oranje staat natuurlijk voor het Nederlands elftal maar is ook goed uit te spreken in het Arabisch’) richt zich in eerste instantie op mensen die naar Amsterdam willen emigreren.
Inburgeren nieuwe stijl wordt pas verplicht als de nieuwe Wet inburgering nieuwkomers er ligt. Dat is op z’n vroegst half 2004. Instituut Oranje wacht daar niet op. ‘Wij willen ons programma uitproberen.’ Het instituut stemt met ambtenaren op het ministerie van Justitie zijn aanbod af op de eisen die naar alle waarschijnlijkheid in de nieuwe wet worden opgenomen. Klanten werft men via internet en door (mond-op-mond) reclame in Marokko en de Marokkaanse gemeenschap in Nederland.

Inburgeringscursussen volgen migranten nu vooral bij de Regionale Opleidingscentra (ROC). Onderzoek van onder meer de Algemene Rekenkamer wees uit dat de resultaten te wensen overlaten. Een meerderheid van de cursisten heeft na afloop niet het beoogde taalniveau en kan in Nederland onvoldoende uit de voeten. Verwachten Ajmidar en Jongens betere cijfers? ‘Analfabeten, hoog- en laagopgeleiden zitten bij het ROC in dezelfde, grote groepen,’ zegt Maryann Jongens, ‘zodat niemand de taal snel leert. Bij ons komen laag- en hoogopgeleiden in aparte groepen van hooguit 15 mensen. In Marokko bieden we een deel van het programma aan. Mensen leren Nederlands spreken, lezen en verstaan. Schrijven komt later. Een opvoeder moet bij de dokter een gesprek kunnen voeren. Het tweede deel bieden we in Nederland aan, om in de praktijk te oefenen.’
Een opmerkelijk verschil met het ROC is dat Instituut Oranje geen cursisten neemt die niet kunnen lezen en schrijven. Hammadi Ajmidar: ‘Analfabetisme is al veel minder in Marokko dan vroeger. Het is echter niet ons probleem. Wij gaan niet alfabetiseren.’ Dat heeft mogelijk gevolgen voor wie Nederland binnen kan komen. Van de huidige nieuwkomers is ongeveer 10 % analfabeet. ‘Het managen van de instroom vind ik niet verkeerd. Nu is het dweilen met de kraan open: de achterstand van de een is nog niet ingelopen of je krijgt al weer een nieuwe ongeschoolde. Inburgering in Marokko vind ik goed. Mensen weten vaak helemaal niet waar ze naar toe gaan. Zij zien landgenoten die met mooie auto’s uit Nederland komen. Niemand die hen vertelt dat ze een uitkering hebben en in een tweekamerwoning wonen. Het is nuttig dat ze een realistisch beeld van de Nederlandse samenleving krijgen. Dat moeten de docenten hen geven.’
Ook in zijn omgeving heeft hij geen bezwaren gehoord tegen het in eigen land en op eigen kosten inburgeren. Ajmidar: ‘In mijn vriendenkring vinden ze het wel eens tijd worden, ze zijn het zat steeds te worden aangekeken op de mislukte integratie van Marokkanen.’

Vakantienederlands
Zelf is hij een voorbeeld van succesvolle integratie. Ajmidar is momenteel directeur van een Rotterdamse stichting die zorgt voor de inburgering van migranten die al langer in Nederland zijn, de zogenoemde oudkomers. Hij won onlangs een prijs voor het beste Intercultural Business Plan. Zijn compagnon Maryann Jongens is docent. Zij woonde en werkte jarenlang op Curaçao, waar ze een taleninstituut had.
De ondernemers achter Instituut Oranje werken met een commerciële instelling, de lat ligt hoog. Zij trekken de docenten – allen van Marokkaanse origine – in Nederland aan. De leerkrachten moeten minstens HBO-niveau hebben. En ook de cursisten hopen zij op zo hoog mogelijk niveau af te leveren. ‘Verdonk heeft het over vakantienederlands. Dat vinden wij niet genoeg.’

Categorie: Diversiteit, Politiek, Publicaties Tags: Inburgeren in Marokko

Primo 8 over Veiligheid

5 september 2008 door Annemiek Onstenk

Primo 8 over veiligheid

Categorie: Lokaal sociaal beleid, Publicaties Tags: Sociale veiligheid

‘Beslisbomen’ in woud van zorgregelingen: de indicatiestelling

5 september 2008 door Annemiek Onstenk

PM, magazine voor de overheid – 2007

Iedereen kan er vroeg of laat allemaal mee te maken krijgen: je oude vader of zieke buurvrouw heeft een hulpmiddel, huishoudelijke of medische verzorging nodig. Bijvoorbeeld alarmering, ouderenvervoer, hulp bij het wassen en aankleden, parkeren voor de deur en aanpassingen in de woning. Die zijn niet allemaal verkrijgbaar in op één adres. Grote zorgwarenhuizen bestaan niet. De genoemde vormen van hulp vallen onder verschillende wetten. Ook de financiering en route om ze te bemachtigen verschillen. Zo moet onder andere objectief worden vastgesteld wat de hulpvrager mankeert en welke zorg daarbij past. Dat heet indiceren: eerst een indicatiestelling en vervolgens een indicatiebesluit. Hoe gaat indicatiestellen in de praktijk? Heeft de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), die op 1 januari van kracht werd, iets veranderd?

Voorzieningen als lokaal ouderenvervoer, rolstoelen en woningaanpassingen vallen onder de, Wmo. Medische verzorging valt onder de Algemene wet bijzondere ziekten, de AWBZ.
Sinds 1 januari jongstleden is de huishoudelijke verzorging verhuisd van AWBZ naar Wmo. In de nabije toekomst gaan wellicht ook voorzieningen als dagbesteding eveneens naar de Wmo. Alarmering, maar bijvoorbeeld ook een rollator of blindengeleidehond, vallen onder een derde wet: de Zorgverzekeringswet.
De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo. Zij beslist of iemand de gewenste Wmo-voorzieningen krijgt. Gemeenten kunnen zelf, aan het eigen loket, vaststellen waar mensen recht op hebben. Zij kunnen de indicatiestelling ook uitbesteden. Dat doen vrijwel alle gemeenten als het gaat om complexe aanvragen of meerdere hulpvragen tegelijk. De oude vader die niet alleen huishoudelijke hulp en vervoer (Wmo) nodig heeft, maar ook medische zorg aan huis (AWBZ) is zo’n complexe hulpvrager.
Ongeveer de helft van alle gemeenten in Nederland laat (een deel van) de indicatiestelling Wmo-zorg doen door Argonaut Advies, de grootste commerciële organisatie op dit terrein.
De indicatiestelling voor AWBZ-zorg werd en wordt gedaan door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), in opdracht van het ministerie van VWS.
Ook in indicatieland is sprake van marktwerking. AWBZ-zorg hoeft niet te worden aanbesteed, Wmo-zorg wel. Omdat het CIZ een wettelijke, publieke taak uitvoert, gaat het AWBZ-deel naar het CIZ en komt de verhuisde huishoudelijke verzorging in veel gevallen mee. Het CIZ doet voor 94% van de gemeenten de indicatiestelling AWBZ-zorg, veelal in combinatie dus met de huishoudelijke verzorging uit de Wmo.
Dat is evenwel geen automatisme. Gemeenten zijn vrij de indicatiestelling Wmo-zorg onder te brengen. Het eerste half jaar van 2007 is een overgangsperiode waarin de meeste gemeenten doorwerken met hun ‘oude’ indicatiestellers. Na 1 juli kunnen de kaarten anders geschud zijn. ontplooit het CIZ commerciële activiteiten rond de Wmo. Zo heeft het CIZ zogenoemde ‘beslisbomen’ (gestandaardiseerde vragenlijsten) ontwikkeld voor de indicatie huishoudelijke verzorging. Daarmee kunnen medewerkers van de gemeentelijke Wmo-loketten zelf in kaart brengen of hulpvragers in aanmerking komen voor de gevraagde huishoudelijke verzorging. Al 200 gemeentenwerken met het product ‘beslisbomen’ afgenomen, zo laat Johan Hoogerbrug, directeur Maatschappelijke Ondersteuning op het hoofdkantoor van CIZ weten. Ook stelde het CIZ verschillende protocollen voor indicatiestelling voor gemeenten op.
Argonaut Advies en het CIZ komen elkaar tegen, zowel in de uitvoering als op managementniveau. Soms werken ze samen rond een cliënt. Maar er is ook concurrentie tussen de indicatiestellers.

Wij gaan kijken op twee regiokantoren. Bij Argonaut Advies in Dordrecht praten wij met verzekeringsarts Roeland Braber en ergonomisch adviseur Petra Kalkman. Ook commercieel manager Bernadette Linssen van het Utrecht’s hoofdkantoor schuift aan. Op het CIZ-kantoor in Gouda praten we met Hans Snoek, indicatiesteller.

Indicatiestellers zijn meestal fysio- of ergotherapeuten, bewegingstechnologen of maatschappelijk werkers, allen hbo’ers. Indicatiestellend medisch onderzoek wordt gedaan door artsen. Roeland Braber is verzekeringsarts van Argonaut Advies. “Ik stel vast welke beperking iemand heeft. Zijn er belemmeringen in het functioneren? Kan hij of zij zich verplaatsen, het eigen huishouden runnen? Ik kijk naar objectief vast te stellen zaken, die de klachten kunnen verklaren. Gaat het om een psychosomatische hulpvraag, dan is vaak een langer gesprek nodig. Soms vraagt iemand een hulpmiddel dat naar mijn mening de hulpvraag eerder vergroot dan verkleint.”
Een mevrouw komt bijvoorbeeld met pijnklachten bij de huisarts. Ze wil graag een scootmobiel. Braber: “De huisarts vindt geen lichamelijke oorzaken en zegt nee, om de persoon niet onnodig in het medische circuit te trekken. De mevrouw is echter vrij om de gemeente een scootmobiel te vragen. De gemeente verzoekt Argonaut mevrouw nog eens te onderzoeken. Ik neem in zo’n geval contact op met de huisarts. Om niet iets te adviseren dat invalideert. Ik probeer mensen te stimuleren, ze aan te spreken op hun herstelgedrag.” Roeland Braber deed dat overigens ook al vóór de komst van de Wmo. “In mijn praktijk als verzekeringsarts is wat dat betreft weinig verandert.”
Braber brengt advies uit aan de gemeente, niet aan cliënten zelf. De gemeente beslist immers of zij de gevraagde hulp krijgen. Zij houdt daarbij rekening met het beschikbare budget. Dat de overheid de uitdijende zorgkosten wenst te beperken speelt geen rol bij het vaststellen van wat iemand mankeert en nodig heeft, haast Roeland Braber zich te zeggen. “Wij oordelen onafhankelijk. Als medicus houdt ik me niet met budgetten bezig. Als iemand me iets vraagt van ‘maar’ 100 euro dat hij niet nodig heeft, adviseer ik negatief. Heeft iemand iets nodig van 100.000 euro, dan oordeel ik positief. Financiën zijn geen leidraad.”

Collega Petra Kalkman, van huis uit ergotherapeut, beaamt dat. Het gebeurt dat zij (en de verzekeringsarts) een advies geven dat de gemeente onwelgevallig is. “Iemand is bijvoorbeeld geholpen met een mengkraan met één handel. De gemeente zegt dat het iets is wat mensen zelf moeten aanschaffen bij de Gamma. Als wij vinden dat iemand beter in staat is voor zichzelf te zorgen met zo’n kraan, adviseren we die.” Wel komt het voor dat bij de indicatiestelling al vooruit wordt gelopen op de toekomst. “Iemand met een progressieve ziekte zal snel achteruit gaan. Dan indiceer je bijvoorbeeld geen stoeltjeslift maar meteen een plateaulift, waar je met rolstoel en al op kunt. Mensen moeten vaak eerst verwerken dat ze in een rolstoel terechtkomen. Zij willen aanvankelijk niks weten van een elektrisch aangedreven rolstoel en plateaulift. Vooruitzien bij de indicatiestelling is voor gemeenten op den duur goedkoper.”

In acute situaties, zoals een ongeluk in huis, gaat Kalkman binnen één of twee dagen op huisbezoek. Er kunnen verschillende voorzieningen tegelijk nodig zijn, zowel uit de Wmo als uit de AWBZ: een rollator, thuiszorg en zittend vervoer naar het ziekenhuis. Het CIZ doet echter de indicatiestelling voor de AWBZ. Argonaut neemt in dat geval contact op met het CIZ. Petra Kalkman: “Voor de hulpvrager kun je het beste meteen die verschillende wegen tegelijk bewandelen. Het CIZ kan instemmen met ons handelen of de indicatiestelling over willen doen. Ook zij gaan dan op huisbezoek.”

Dit is een knelpunt. De overheid wil met de Wmo de zelfredzaamheid van mensen vergroten. Gemeenten richten laagdrempelige één loketfuncties in, waar burgers met al hun hulpvragen op het gebied van wonen, zorg en welzijn terechtkunnen. Maar leggen zij daar meerdere hulpvragen tegelijk neer, dan hebben ze vervolgens met verschillende indicatiestellers, wetten en budgetten te maken. Invoering van de Wmo verandert op deze manier weinig aan de bureaucratie rond het verstrekken van hulpmiddelen.
Volgens manager Linssen van Argonaut gaat het om een relatief kleine groep. “De grootste groep hulpvragers heeft aan de combinatie van huishoudelijke verzorging en andere Wmo-voorzieningen voldoende. Voor hen volstaat dat ene Wmo-loket. Zelfverzorging blijven mensen zo lang mogelijk zelf doen, of het nu om ouderen of om mensen met een handicap gaat.”
Directeur Johan Hoogerbrug van het CIZ denkt daar anders over cijfe “60% van de cliënten die huishoudelijke verzorging nodig hebben, vraagt ook persoonlijke en/of verpleegkundige verzorging.” Daarbij gaat het om de combinatie van AWBZ- en Wmo-zorg.
Hoogerbrug schat dat de indicaties voor 80% van de hulpvragen gesteld kunnen worden aan de hand van gestandaardiseerde protocollen. Voor 20% is persoonlijk maatwerk vereist.

Anders dan Argonaut Advies gaat het CIZ bij een hulpvraag standaard op huisbezoek. Hans Snoek, indicatiesteller van het CIZ in Gouda: “Wij bekijken de hele situatie in huis. Wij stellen niet alleen de noodzaak van bijvoorbeeld een woningaanpassing vast, maar ook waar de voorziening (traplift, beugel in badkamer) moet komen. Er kunnen nieuwe hulpvragen bijkomen. Bij een eventuele vervolgvraag weten we hoe de situatie is. Voor eenvoudige hulpvragen volstaat vaak een telefonische intake. Bij moeilijk objectiveerbare aandoeningen schakelen we een arts in.”
Een andere handreiking naar de klant is de korte lijn: “Mensen die ons ten onrechte benaderen voor een Wmo-voorziening verbinden we direct door naar het lokale Wmo-loket. Neemt niemand op, dan vragen wij de gemeente de klant terug te bellen. Is de hulpvraag een combinatie van Wmo- en AWBZ-zorg, dan nemen we hem zelf in behandeling.”

Ook VWS bekommert zich om de bureaucratie rond de verstrekking van middelen. Argonaut Advies doet momenteel in opdracht van het ministerie een proef ‘brede indicatiestelling’ rond het vervoer van ouderen en gehandicapten. Dat is nu een lappendeken van regelingen. Bernadette Linssen: “Het vervoer van ouderen, gehandicapten en leerlingenvervoer valt grotendeels onder de Wmo/gemeente. Maar vervoer naar bijvoorbeeld dagbesteding en (boven)regionaal vervoer vallen onder de AWBZ/ministerie van VWS. Dat wil een brede indicatiestelling voor één vervoerspakket introduceren, waarmee mensen zonodig zowel een rolstoel, als een gehandicaptenparkeerkaart, collectief vervoer en een kilometerbudget voor vervoer buiten de gemeente kunnen aanvragen.”
Argonaut wil hulpbehoevende ouderen en gehandicapten goed vervoer bieden. Het is zakelijk dan mooi meegenomen dat de vervoersvraag van ouderen met de vergrijzing een groeimarkt van jewelste is.
Linssen: “Onze voornaamste drijfveer is dat we een expertisebedrijf willen zijn. Wij willen vooroplopen in indicatiestelling.” Dat wil (en doet) het CIZ, dat zich eveneens in de markt zet als kenniscentrum, natuurlijk ook.
Twee grote indicatiestellers in milde wedijver. Als de klant er maar beter van wordt.

Categorie: Publicaties, Zorg & welzijn Tags: Indicatiestelling zorg

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 63
  • Pagina 64
  • Pagina 65
  • Pagina 66
  • Pagina 67
  • Pagina 68
  • Ga naar Volgende pagina »

Primaire Sidebar

    Artikelen

    Selecteer subcategorie
    category
    6a158d81f2ea0
    1
    1
    27
    Loading....

    Volg mij op

    • LinkedIn

    © 2026 Annemiek Onstenk, journalist | Tekst, redactie & research | Techniek WordPress | Realisatie Zin in Webdesign