• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de eerste sidebar
Annemiek Onstenk Journalist

Annemiek Onstenk Journalist

tekst, redactie & research

  • Home
  • Tekst
  • Redactie
  • Research
  • CV
  • Klanten
  • Contact
  • Kanaalpost

Publicaties

In een pleeggezin is het veel gezelliger

5 september 2008 door Annemiek Onstenk

Trouw – 2005

In de Belgische plattelandsgemeente Geel wonen honderden psychiatrische patiënten in pleeggezinnen. Vroeger waren het ‘sukkelaars’ en ‘mannen van de kolonie’, ook de vrouwen. Tegenwoordig is het meneer en madam. Patiënten maken deel uit van de gemeenschap.Aan de gemeentegrenzen van Geel staan driehoekige waarschuwingsborden met het woord ‘gezinsverpleging’. Ze hebben vrijwel geen functie meer. Maar vroeger, toen er nauwelijks medicatie was, liepen de psychiatrisch patiënten zo de weg op. Zij waren niet afgezonderd en opgesloten in een inrichting, maar woonden bij gastgezinnen in het dorp of de stad. De ‘zotten’, zoals zij vroeger werden genoemd, en hun pleeggezinnen waren eerder in Geel dan het psychiatrisch ziekenhuis.
René Dilliën (75) herinnert zich nog dat de patiënten zonder tussenkomst van hulpverleners bij gastgezinnen terecht kwamen. “Ze werden door hun familie of wie zich maar over hen ontfermde, naar Geel gestuurd. Wij haalden ze zo van het station.” René heeft zijn hele leven met patiënten in huis gewoond. “Eigenlijk van 1931 tot nu. Wij woonden op een boerderij. Ik was de jongste, bleef op de boerderij en nam de kostganger over. Wij accordeerden fantastisch. In de jaren vijftig kreeg ik zelf een gezin, maar onze gast bleef bij ons tot hij stierf.” Niet dat het altijd makkelijk was. “Hij had nog gevoelens. Hij had zes kinderen verwekt en viel ook mijn moeder wel eens lastig. Ik moest haar te hulp schieten en dreigen met de kachelpook!”
Het is kenmerkend voor de Geelse gezinsverpleging. Men aanvaard de patiënten zoals ze zijn. Zij horen bij de familie. Zij doen met alles mee en vergezellen het gezin naar feestjes en partijen. Als vader en moeder te oud worden, gaan zij ‘over’ op de kinderen.

René Dilliën heeft nu twee mannen in huis. Theo (73) woont er al 22 jaar en Guy (62) trok 12 jaar geleden bij de familie in. “Theo was geen gemakkelijke toen hij kwam. Hij kon niet werken en had een moeilijk karakter, hij wilde altijd gelijk hebben. Mijn vrouw, ook een boerendochter en gewend aan kostgangers, was hem soms niet de baas. Nu is het ’n beste gast, een ruwe steen met een gouden hart. Als mijn kleinkinderen op bezoek zijn, zitten ze bij hém op schoot, niet bij mij.”
Theo en Guy zijn allebei op de werkplaats, vergelijkbaar met de Nederlandse sociale werkvoorziening. Een bus haalt hen ’s morgens af en brengt hen ’s middags weer naar huize Dilliën. Zij steken gras en vegen op het terrein van het psychiatrisch ziekenhuis. Theo, die eerder 30 jaar in een inrichting verbleef, hoeft niet lang na te denken over de vraag waar hij liever woont: “Bij René.” Ook Guy wil nooit meer weg bij de familie. Hij woonde een deel van zijn leven samen met zijn broer en kent de zorgen van zelfstandigheid. De mannen vertellen enthousiast over de vakantiereis die ze binnenkort gaan maken en het communiefeest waar ze zijn geweest. Theo kan goed zingen en zit in een kerkkoor. In het weekend drinken ze graag een pintje, thuis of ‘op café’. De mannen doen ook het een en ander in het huishouden en de tuin. René zegt wel eens gekscherend maar met serieuze ondertoon tegen z’n kostgangers, dat zij het huishouden draaiende moeten houden als hij eerder overlijdt dan zij.

Pleegouders en patiënten hebben geen therapeutische relatie. Dat is ook niet de bedoeling. De pleeggezinnen weten meestal weinig tot niets van de (medische) voorgeschiedenis van hun gasten. Hulpverlening en begeleiding laten zij over aan de wijkverpleegkundigen en doktoren van het psychiatrisch ziekenhuis. Het is niet alleen uit goedheid en gewoonte dat veel Gelenaren patiënten in huis nemen. Ook geld en economische redenen spelen een rol, zij het vroeger meer dan nu. De patiënten helpen op het land en in de huishouding. Niet zelden ook zijn de rollen op latere leeftijd omgedraaid. Dan verzorgen patiënten hun oude en hulpbehoevende pleegouders. Gezinnen verdienen wat bij met het kostgeld. “Vroeger waren het werkkrachten, we hadden het arm,” zegt René. “Voor het geld hoef je het nu niet te doen. Pleeggezinnen krijgen een vergoeding van 17 tot 19 euro per dag.”
Behalve de hulp die patiënten kunnen bieden, zijn tegenwoordig vooral de affectie en gezelligheid reden een gast in huis te nemen. De wederkerigheid geeft de patiënten maatschappelijke betekenis.
Professor Eugeen Roosens van Universiteit Leuven deed tweemaal uitgebreid onderzoek naar, wat hij noemt, het Geelse model. Hij wijst op de unieke vorm van sociale insluiting in Geel – ‘inclusie’ in het Vlaams – terwijl lotgenoten elders vaak worden buitengesloten en in isolement leven.

Eugeen Roosens publiceert en spreekt geregeld over gezinsverpleging, mede om hulpverleners en medici de waardevolle elementen van de gezinsverpleging voor te houden. In april sprak hij op de landelijke manifestatie De Kunst van het Kwartiermaken in Utrecht, op 13 mei in Geel op een congres over rehabilitatie. “Wij moeten niet alleen jonge gezinnen overtuigen, ook psychiaters. De gezinsverpleging vindt slechts hier en daar navolging. Zo zijn rond Luik 184 patiënten op Geelse wijze in gezinnen opgenomen.”
In Geel zelf is er een redelijke aanwas: jaarlijks komen er 13 nieuwe pleeggezinnen bij en worden gemiddeld 17 nieuwe mensen geplaatst. René Dilliën verwacht niet dat met hem de traditie in de familie stopt. “Misschien neemt mijn jongste zoon een patiënt in huis.”
De Geelse gemeenschap is sinds jaar en dag gewend aan psychiatrisch patiënten. Men respecteert ze en gaat gewoon met hen om. Patiënten nemen hier en daar deel aan het verenigingsleven en zijn – zolang ze zich niet al te opvallend gedragen – welkom in de meeste cafés en restaurants. Toch heeft het wonen onder de mensen niks veranderd aan wat men als normaal en afwijkend beschouwt, zegt Roosens. “Men tolereert de patiënten. Maar wanneer zij afwijkend gedrag vertonen op straat of in een winkel, grijpt de Gelenaar in om de normale orde te herstellen.”
“Je stelt je niet hoger op dan hen, maar zij zijn niet voor niks hier,” zegt ook René Dilliën. Hij heeft in z’n leven geen moment spijt gehad van z’n beslissing patiënten in huis te nemen. “Die mensen zijn gekraakt en moeten zich rechtzetten. Ik ben blij dat onze gasten zover zijn gekomen. Ik ben er fier op.”
485 volwassenen in 400 pleeggezinnen
Geel is een plattelandsgemeente met 33.000 inwoners. De gemeente heeft een centrum en verschillende omliggende dorpen. Middenin Geel ligt het grote complex van het Openbaar Psychiatrisch Ziekenhuis. Verschillende afdelingen behandelen en verplegen 750 patiënten, zorgen voor dagactiviteiten, werk en vrije tijdsbesteding. Een deel van hen heeft naast aandoeningen als schizofrenie en autisme, een verstandelijke handicap. De afdeling Rehabilitatie richt zich op volwaardig burgerschap van mensen die chronisch lijden aan een psychiatrische aandoening, op het gebied van wonen, leren, werken en vrije tijd. De voornaamste woonvorm is de gezinsverpleging. 485 van de huidige 815 patiënten wonen in een pleeggezin, vaak al tientallen jaren lang. Het komt regelmatig voor dat kostgevers hun 50 jarig bestaan als pleeggezin vieren. Voor de tweede wereldoorlog woonden er bijna 4000 mensen met ernstige psychiatrische problematiek in gastgezinnen, in de jaren zeventig nog 1000. Momenteel zijn er 400 pleeggezinnen, sommige met meerdere gasten in huis. Alleen volwassenen komen in aanmerking voor plaatsing in een gastgezin. Gezinsverpleging voor kinderen, zoals de Nederlandse therapeutische gezinsverpleging, een vorm van pleegzorg, is in Geel in ontwikkeling. De patiënten komen uit verschillende landen, niet alleen uit België. Er wonen 15 Nederlandse patiënten in een Geels pleeggezin.

Categorie: Meedoen met een beperking, Psychische kwetsbaarheid, Publicaties Tags: Volwassenen in pleeggezinnen

Ook blijvend gekken horen erbij

5 september 2008 door Annemiek Onstenk

Trouw – 2002

Ook blijvend gekken horen erbij. Het hoeft maar een paar keer uit de hand te lopen met psychiatrische patiënten in de stad of de verzuchting dat ‘die mensen’ beter af zijn in een beschermde omgeving duikt op. Niet meer helemaal afgezonderd in bos en duin zoals vroeger. Maar ‘ze’ moeten wel weg uit het publieke domein. De kersverse Amsterdamse doctor Doortje Kal is het daar niet mee eens. De samenleving is onvoldoende gastvrij voor moeilijke mensen. Inburgering van gekken en dwazen is een zaak voor de maatschappij als geheel, stelt Kal. Onlangs verscheen van haar hand een opmerkelijk promotieonderzoek: Kwartiermaken. Ruimte voor mensen met een psychiatrische achtergrond.

Kal laat zien hoe het zover is gekomen dat mensen met ernstige psychiatrische problemen volledig werden uitgesloten van het gewone dagelijks leven. Voor hun eigen bestwil maar ook omdat zij steeds minder pasten in de snelle maatschappij, werden zij naar elders gebracht en behandeld. Dat betekende in veel gevallen rust, maar ook een volledig isolement. Er ontstond een haast onoverbrugbaar verschil met gewone mensen.
Die tijd van algehele afzondering is voor veel patiënten en cliënten voorbij. Zij keerden terug onder de mensen. Maar eerherstel van mensen met een psychiatrische achtergrond is niet genoeg, stelt Kal in Kwartiermaken. Zeker niet als zij – om als burger mee te tellen – moeten voldoen aan de heersende invulling van burgerschap, waarin arbeid en autonomie centraal staan. Hun zelfredzaamheid is beperkt, alle maakbaarheididealen ten spijt. Psychiatrisch patiënten goedbedoeld in de normale wereld willen opnemen mist vaak zijn doel, omdat voorbij wordt gegaan aan het ‘vreemde’ aan hen.

Zo zijn zij nog altijd geïsoleerd, draaien niet mee als volwaardig burger en zijn soms lastig voor hun omgeving. De rond 16.000 bezoekers van een dagactiviteitencentrum in Nederland hebben weinig mogelijkheden zich daarbuiten te bewegen, laat staan zich te ontplooien. Hun contacten en activiteiten in de normale wereld zijn gering, waardoor hun aansluiting moeizaam verloopt of mislukt. Zelfs op de sociale werkplaatsen zijn mensen met een psychiatrische achtergrond slechts beperkt welkom. De meeste mensen zijn thuis of in een Ggz-voorziening. Hun lijden wordt niet verstaan.
Kal wil tolken en verschillen overbruggen. In haar boek baant zij paden voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Patiënten zijn immers ook gewoon mensen met behoefte aan geborgenheid en een zinvol bestaan. De tragiek van hun situatie is evenwel dat zij zich niet normaal kúnnen aanpassen. Aanpassing moet bovendien niet alleen van de kant van de patiënt komen. De samenleving moet ook plaats maken voor chronisch psychiatrische patiënten met al hun eigenaardigheden. En dat is een ongemakkelijk proces, waarschuwt Kal.

Maar hoe gek moet het worden? In veel gemeenten zwerven mensen met schizofrenie of een psychose over straat. De politie trekt geregeld aan de bel dat zij opdraait voor de gebrekkige integratie. Wat kun je vragen van buurtbewoners met een verwarde man op de trap?
Betrokkenheid, zegt Kal. Met hulp of begeleiding van derden moet de situatie in goede banen worden geleid. Het mooiste zou zijn wanneer er omgangsvormen ontstaan waarbij beide partijen zich veilig weten. Daarbij kan een meldpunt in de buurt van dienst zijn – te vinden in de gemeentegids – waar je een zorgwekkende of bedreigende situatie kunt melden, die vervolgens wordt aangepakt. Beide partijen moeten serieus worden genomen: de patiënt-burger en de medeburger. Incidenten moeten niet onmiddellijk tot huisuitzetting leiden.

Gastvrijheid
Als preventiewerker sociale psychiatrie zette Kal onder de noemer van kwartiermaken verschillende projecten op die de kloof tussen cliënten en samenleving moeten overbruggen. Kwartiermaken in dit verband is het organiseren van gastvrijheid buiten de psychiatrie. Het welzijnswerk, sport- en vrijwilligersorganisaties zouden plekken moeten bieden waar mensen veilig aan het maatschappelijk verkeer kunnen deelnemen. En bereid zijn samen te werken met de Ggz. Cruciaal is de rol van intermediairs, maatjes of bemiddelaars. Zij kunnen een brug slaan tussen de beperkte leefwereld van mensen in de psychiatrie en bijvoorbeeld het sociaal-cultureel werk.
Ook vriendendiensten, een fenomeen dat inmiddels al tien jaar bestaat in Nederland, kunnen een rol spelen in de ondersteuning van psychiatrisch patiënten. Met een vriendendienst wordt invulling gegeven aan de betrokkenheid van burgers die Kal voor ogen staat.

Doortje Kal zet zich al vele jaren in voor verbetering van de leefsituatie van mensen met een psychiatrische achtergrond. Haar proefschrift is niet alleen een wetenschappelijke kroon op haar werk aan de basis. Zij vergroot met haar indringende schrijfstijl ook de kans dat de mensen die “lid van de wereld” willen worden, gezien en gehoord worden. Als hooggeleerd maatje brengt ze noden en wensen van cliënten en patiënten op overtuigende wijze onder de publieke aandacht.
Kal richt zich niet zozeer tot vakbroeders en -zusters uit de hulpverlening. Zij roept burgers, beleidsmakers, organisaties en instellingen op zich met mensen met een psychiatrische achtergrond in te laten, hen in hun waarde te laten en zoveel mogelijk te betrekken bij het maatschappelijk leven.
Haar roep om maatschappelijke betrokkenheid past in een tijd waarin de teruggetrokken overheid weer op zijn retour lijkt te zijn en de nadelen van de eenzijdig op productiviteit gerichte moraal in uiteenlopende kringen worden onderkend. Zaken als (weder)opbouwwerk, sleutelfiguren, vriendendiensten en een zorgende bedrijfscultuur zijn van belang voor mensen die lijden aan een psychiatrische problematiek, maar ook voor andere groepen buiten het snel kloppende hart van de maatschappij.

Categorie: Psychische kwetsbaarheid, Publicaties Tags: Gekken

Inburgeringscursus als exportartikel

5 september 2008 door Annemiek Onstenk

Het Parool – 2003

Het kabinet wil dat de inburgering van migranten die naar Nederland komen voor gezinsvorming, begint in het land van herkomst. Volgend jaar wordt dat wettelijk verplicht. Instituut Oranje loopt daarop vooruit en opent binnenkort haar deuren in het Marokkaanse Rifgebied. Initiatiefnemers Hammadi Ajmidar en Maryann Jongens gaan kandidaat-Amsterdammers vanaf maart 2004 Nederlandse taal en cultuur onderwijzen. ‘Wij zijn de eerste commerciële aanbieder op locatie.’

Zij ergeren zich aan recente uitlatingen van wethouder Oudkerk en anderen over het op eigen kosten inburgeren. ‘Mensen zouden het niet kunnen betalen. Zij steken zich in de schulden en zouden het juiste instituut niet kunnen kiezen. De betutteling van die groep moet eens afgelopen zijn,’ zeggen Hammadi Ajmidar, Marokkaan van origine en zijn Nederlandse compagnon Maryann Jongens. ‘Je neemt mensen juist serieus als ze voor hun taalles moeten betalen.’
Nieuwkomers moeten nu ‘op inburgering’ bij een ROC. Dat kost de overheid € 6000 per persoon. Instituut Oranje gaat het voor ongeveer € 4000 doen. ‘De overheid betaalt 70% van de kosten terug van het in Nederland met goed gevolg af te leggen inburgeringsexamen. In Marokko zijn de kosten voor eigen rekening.’ Hammadi Ajmidar: ‘Migranten zijn vaak ondernemend, zij hebben wat in hun mars én hebben de drive om te gaan. Zij zullen daarom wat over hebben voor hun emigratie.’
Hoewel ze zijn bedenkingen van tafel vegen willen Ajmidar en Jongens graag met wethouder Rob Oudkerk samenwerken. Zij hopen de Marokkanen die hun (liefdes)pijlen op Amsterdam richten te verwelkomen als eerste pupillen van Instituut Oranje.

Het plan om zelf inburgeringslessen aan te bieden ontstond een klein jaar geleden. De Algemene Rekenkamer bracht een zeer kritisch rapport uit over de resultaten van de inburgering van nieuwkomers. Er waren veel uitvallers en slechts 40% van de mensen spraken na de cursus voldoende Nederlands om zelfredzaam te zijn. 10% van de nieuwkomers kon door naar een opleiding of de arbeidsmarkt. ‘Analfabeten, hoog- en laagopgeleiden zitten bij het ROC in dezelfde groepen,’ schampert Maryann Jongens, ‘zodat ze na maanden nog geen woord Nederlands spreken. Bij commerciële instituten kunnen mensen al na twintig uur les een beetje uit de voeten. Marokkanen worden te stom gevonden, maar ik zou in een groep van 25 ook geen taal kunnen leren.’
In regeringsverklaring en troonrede kondigde Balkenende II de inburgering nieuwe stijl aan. Eén van de elementen in de nieuwe Wet op de inburgering die volgend jaar wordt verwacht is dat het inburgeren begint in het land van herkomst. Daar zal de Nederlandse ambassade toetsen of men voldoende weet van de Nederlandse taal en samenleving. Vervolgens mag men zich hier voorbereiden op het inburgeringsexamen dat uiteindelijk toegang tot Nederland verschaft. Het kabinet spreekt mensen graag aan op hun eigen verantwoordelijkheid, dus moeten de inburgeraars zelf betalen. Ze zijn vrij om te kiezen wie hen de Hollandse beginselen bijbrengt, de gedwongen winkelnering bij het ROC is binnenkort voorbij.
Instituut Oranje is, wat Marokko betreft, de eerste die in dat gat op de markt springt. In de naam komen de koningin, het Nederlands elftal en de Noord Afrikaanse sinasappel samen. ‘Wij gaan het helemaal anders doen, beter ook,’ zegt Maryann Jongens. ‘Hoog- en laagopgeleiden komen in aparte groepen van hooguit 15 mensen. Ook maken we onderscheid tussen vermoedelijke toekomstige opvoeders en werkers. We bieden 320 uur taal en cultuur aan in Marokko en 280 uur in Nederland, om in de praktijk te kunnen oefenen. Mensen die het sneller kunnen, nemen minder uren af. We voegen in Nederland geen groepen samen, Marokkanen met Turken bijvoorbeeld, zodat we het lesmateriaal zoveel mogelijk kunnen laten aansluiten bij de taal of talen die mensen al beheersen. In het Arabisch heb je bijvoorbeeld geen voornaamwoorden. En de p kent men daar ook niet. Daar houd je allemaal rekening mee.’
En de cultuur, gaan mensen leren dat het uitschelden van joden en homoseksuelen strafbaar is in Nederland? ‘We bieden modules maatschappijoriëntatie aan met staatsinrichting, de grondwet, de scheiding van kerk en staat, emancipatie, het onderwijs en de arbeidsmarkt. We willen ook aandacht besteden aan hoe migranten in Nederland leven. Docenten gaan vertellen hoe ze zelf wonen. Men moet een reëel beeld krijgen van Nederland, niemand moet de illusie hebben dat je meteen rijk bent als je hier aankomt.’

Jongens is docent en woonde jarenlang op Curaçao. Ze had er een taleninstituut en verzorgde onder andere Nederlandse taallessen voor Latijns Amerikanen. Ajmidar is momenteel directeur van een Rotterdamse stichting die zorgt voor de inburgering van migranten die al langer in Nederland zijn, de zogenoemde oudkomers. ‘We zetten alleen docenten in met een Marokkaanse achtergrond. Om daar als docent geaccepteerd te worden en mogelijke drempels weg te nemen, is het een pluspunt zelf Marokkaan te zijn.’ De leerkrachten vliegt Instituut Oranje vanuit Nederland in. Zij worden tijdelijk gehuisvest in Nador, Al-Hoceima en Tanger, de drie plaatsen waar de eerste 100 mensen over enkele maanden kennis kunnen maken met de Nederlandse taal en cultuur.

Huwelijksmarkt
Is inburgeren in Marokko een manier voor de overheid om te selecteren aan de poort? ‘Misschien wel,’ lacht Hammadi. ‘Toen mijn vader hier als gastarbeider kwam werden Marokkanen geselecteerd op onderontwikkeling. Ze moesten immers ongeschoold werk doen en mochten niet gaan mopperen. Nu moeten ze juist iets meer kunnen.’
Ook vrouwen die van hun familie of toekomstige echtgenoot niet altijd onderwijs mogen volgen, moeten naar Nederlandse les om door het inburgeringsexamen te komen. ‘Dat is positief aan de inburgering nieuwe stijl,’ vindt Maryann Jongens. ‘De overheid bevordert hiermee de emancipatie, die zorgt dat er in de toekomst minder problemen zijn.’
Hammadi Ajmidar verwacht zelfs een verschuiving op de huwelijksmarkt. ‘Een belangrijk deel van de Marokkaanse jongeren luistert nog naar de ouders wat het zoeken van een huwelijkspartner betreft. Het naar hier halen van een onontwikkelde, onderdanige bruid uit Marokko zal minder worden. En dat is ook de bedoeling. Het schiet anders niet op met de Marokkanen in Nederland. Er zijn genoeg geslaagde Marokkaanse professionals die willen meedoen. We zien er alleen zo weinig van. Als de overheid de immigratie beter had gemanaged was het nu anders geweest.’

Categorie: Diversiteit, Politiek, Publicaties Tags: Inburgering

Jeugdzorg plus

5 september 2008 door Annemiek Onstenk

PM, magazine voor de overheid – 2008

Eind 2007 is in Den Haag een nieuwe woon/zorgvoorziening van start gegaan voor jongeren tussen twaalf en achttien jaar met ernstige gedrags- en psychiatrische problematiek: jeugdzorg extra van Stichting JJC (Jeugdformaat/Jutters Combinatie). Enkele jongeren die naar het centrum verhuisden, verbleven eerst in de jeugdgevangenis, hoewel zij niet strafrechtelijk zijn veroordeeld. ‘Het gaat bijvoorbeeld om slachtoffers van loverboys,’ zegt Fred Venus, directeur van Jeugdformaat, een van de initiatiefnemers. ‘Hun nieuwe onderkomen is totaal anders: het is niet helemaal gesloten en de jongeren hebben eigen verantwoordelijkheden. We bieden hen een veilige plek en doen bijvoorbeeld ook aan gezinsbegeleiding om mogelijk de weg terug naar huis te effenen.’
Jeugdformaat, dat ondermeer pleegzorg en ambulante, dag- en residentiële hulp biedt, en De Jutters, centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie willen met Stichting JJC voorzien in een lacune in het hulpaanbod. Kenmerk is over de grenzen van het eigen specialisme en hulpaanbod heenstappen en geïntegreerde zorg bieden. Venus: ‘De overlap tussen orthopedagogische vraagstukken en jeugdpsychiatrie is zo groot dat je de waterscheiding moet opheffen. Vanuit kinderen gezien kun je niet anders dan integraal hulp bieden. Wij brengen het beste van twee instellingen bij elkaar. De bestuurders en leidinggevenden van Jeugdformaat en De Jutters waren het gelukkig eens over het doel, het beste voor de jongere, zodat we niet in bloedgroepenkwesties verzeild zijn geraakt.’
Er zijn ook andere instellingen betrokken bij het verbeteren van de zorg: Bureau Jeugdzorg, een justitiële jeugdinrichting en een instelling voor licht verstandelijk gehandicapten. In 2010 komt er ook een nieuwe voorziening voor jongeren met een lichte verstandelijke handicap en psychiatrische problematiek. De ketenpartners zoeken daarnaast samenwerking met het (speciaal) onderwijs. ‘We willen behandeling, opvoeding en onderwijs in één setting,’ aldus Fred Venus.
Het nieuwe Haagse centrum past in het landelijke streven een alternatief zorgaanbod voor de gesloten jeugdzorg te ontwikkelen, onder de noemer jeugdzorg plus. Andere voorbeelden van integraal jeugdzorgaanbod zijn De Koppeling in Amsterdam en Paljas in de provincie Brabant. De op 1 januari 2008 in werking getreden gewijzigde Wet op de jeugdzorg maakt het mogelijk dat steeds meer ‘civielrechtelijke jongeren’, zoals ze worden genoemd, verhuizen van gesloten inrichtingen naar jeugdzorginstellingen.

Categorie: Jeugdzorg, Publicaties Tags: Jeugdzorg plus

Beroepsregistratie jeugdzorgwerkers

5 september 2008 door Annemiek Onstenk

PM, magazine voor de overheid – 2008

Veel vrijgevestigde maatschappelijk werkers zijn geregistreerd als vakbekwame professional. Onder medewerkers in zorginstellingen is registratie veel minder. Zij volgen vaak wel scholing maar geen super- en intervisie, die nodig zijn voor een beroepsregistratie. Voor jeugdzorg bestaat er zelfs geen beroepsprofiel en register, het is geen wettelijk erkend beroep. Daar komt nu verandering in. Een van de deelprojecten van het Actieplan professionalisering heeft betrekking op het beroepsregister voor jeugdzorgwerkers. De beroepsverenigingen Nederlandse Vereniging voor Maatschappelijk Werkers (NVMW) en Phorza, beroepsorganisatie voor sociale, (ortho)pedagogische en hulpverlenende functies, hebben in overleg besloten de registratie van de verschillende beroepsgroepen samen te voegen in één register voor agogisch en maatschappelijk werkers: BAMw. Er wordt een specialisatie jeugdhulpverlening ontwikkeld, met eigen toelatingseisen en toetsingscriteria. Het register is ondergebracht in een zelfstandige stichting; de beroepsverenigingen werven onder hun leden om zich daar te laten registreren.Professionaliseren kost geld
De NVMW is trekker van het deelproject beroepsregistratie en liet aan de hand van gesprekken met vele betrokkenen een discussienota opstellen over de beroepsregistratie in de jeugdzorg. ‘Een van de discussiepunten is de vraag of je registratie en bijscholing verplicht moet stellen,’ zegt Iris Leene, directeur van de NVMW. De voordelen zijn evident. ‘Als erkende, geregistreerde beroepskracht geef je te kennen je voortdurend te scholen en je vakkennis up to date te houden. Het vergroot je betrouwbaarheid en biedt klanten kwaliteitsgarantie. Bij maatschappelijk werk en jeugdhulpverlening gaat het doorgaans om kwetsbare groepen. Zij moeten kunnen rekenen op goede hulp- en dienstverlening. Registratie is daarvoor een middel, geen doel.’
Registreren kost tijd en geld. ‘Wij hebben overleg gevoerd met werkgevers in de branche en zij lijken bereid een deel van de registratiekosten van hun medewerkers te betalen. De beroepsverenigingen en de MOgroep Jeugdzorg hebben een principeakkoord gesloten in de vorm van een convenant, dat aan de achterban wordt voorgelegd,’ zegt Leene. Ze wijst erop dat de overheid, in wiens opdracht de jeugdzorg een professionaliseringsimpuls krijgt, zelf hier en daar het omgekeerde teweegbrengt. ‘Je ziet dat er ook laagopgeleiden in de zorg voor jeugdigen worden ingezet, bijvoorbeeld in de gehandicaptenzorg, vanwege bezuinigingen of omdat er geen gekwalificeerd personeel beschikbaar is. Laat ook voor de overheid duidelijk zijn dat professionaliseren geld kost!’

Categorie: Jeugdzorg, Publicaties Tags: Beroepsregistratie jeugdzorg

Met Nederlands beginnen in Marokko

5 september 2008 door Annemiek Onstenk

Trouw – 2003

Huwelijkspartners van buiten de EU die hier naartoe willen komen moeten zich in eigen land oriënteren op Nederland. Zij worden pas toegelaten wanneer zij slagen voor hun inburgeringstoets. Instituut Oranje begint binnenkort met het geven van lessen Nederlandse taal en cultuur in Marokko. Ongeletterde bruiden en bruidegoms maken bij het instituut weinig kans. ‘Wij richten ons op laag- en hoogopgeleiden. Wij gaan niet alfabetiseren.’Nieuwkomers moeten vóórdat zij hier worden toegelaten beschikken over basiskennis van het Nederlands, zo luidde het in de troonrede. Bij zijn aantreden had het kabinet Balkenende II al laten weten de inburgering op nieuwe leest te gaan schoeien. Ten eerste moet de inburgering van zogenoemde gezinsvormers in het land van herkomst beginnen. Met een beroep op de eigen verantwoordelijkheid komen de kosten die daar gemaakt bovendien voor rekening van de inburgeraars. Kosten die men in Nederland maakt worden deels vergoed, als de kandidaat tenminste voor het inburgeringsexamen slaagt. Het aanbod van inburgeringscursussen tenslotte wordt vrijgelaten. Aspirant nieuwkomers kunnen zelf kiezen bij wie zij hun cursus inkopen.
Minister Verdonk van Justitie riep particulieren onlangs op met voorstellen en initiatieven te komen om het nieuwe inburgeren gestalte te geven.
Hammadi Ajmidar en Maryann Jongens zijn het initiatiefstadium al voorbij. Vanaf maart 2004 kunnen de eerste 100 cursisten in de plaatsen Nador, Al-Hoceima en Tanger in het Marokkaanse Rifgebied terecht voor Nederlandse les. Hun Instituut Oranje (‘Oranje staat natuurlijk voor het Nederlands elftal maar is ook goed uit te spreken in het Arabisch’) richt zich in eerste instantie op mensen die naar Amsterdam willen emigreren.
Inburgeren nieuwe stijl wordt pas verplicht als de nieuwe Wet inburgering nieuwkomers er ligt. Dat is op z’n vroegst half 2004. Instituut Oranje wacht daar niet op. ‘Wij willen ons programma uitproberen.’ Het instituut stemt met ambtenaren op het ministerie van Justitie zijn aanbod af op de eisen die naar alle waarschijnlijkheid in de nieuwe wet worden opgenomen. Klanten werft men via internet en door (mond-op-mond) reclame in Marokko en de Marokkaanse gemeenschap in Nederland.

Inburgeringscursussen volgen migranten nu vooral bij de Regionale Opleidingscentra (ROC). Onderzoek van onder meer de Algemene Rekenkamer wees uit dat de resultaten te wensen overlaten. Een meerderheid van de cursisten heeft na afloop niet het beoogde taalniveau en kan in Nederland onvoldoende uit de voeten. Verwachten Ajmidar en Jongens betere cijfers? ‘Analfabeten, hoog- en laagopgeleiden zitten bij het ROC in dezelfde, grote groepen,’ zegt Maryann Jongens, ‘zodat niemand de taal snel leert. Bij ons komen laag- en hoogopgeleiden in aparte groepen van hooguit 15 mensen. In Marokko bieden we een deel van het programma aan. Mensen leren Nederlands spreken, lezen en verstaan. Schrijven komt later. Een opvoeder moet bij de dokter een gesprek kunnen voeren. Het tweede deel bieden we in Nederland aan, om in de praktijk te oefenen.’
Een opmerkelijk verschil met het ROC is dat Instituut Oranje geen cursisten neemt die niet kunnen lezen en schrijven. Hammadi Ajmidar: ‘Analfabetisme is al veel minder in Marokko dan vroeger. Het is echter niet ons probleem. Wij gaan niet alfabetiseren.’ Dat heeft mogelijk gevolgen voor wie Nederland binnen kan komen. Van de huidige nieuwkomers is ongeveer 10 % analfabeet. ‘Het managen van de instroom vind ik niet verkeerd. Nu is het dweilen met de kraan open: de achterstand van de een is nog niet ingelopen of je krijgt al weer een nieuwe ongeschoolde. Inburgering in Marokko vind ik goed. Mensen weten vaak helemaal niet waar ze naar toe gaan. Zij zien landgenoten die met mooie auto’s uit Nederland komen. Niemand die hen vertelt dat ze een uitkering hebben en in een tweekamerwoning wonen. Het is nuttig dat ze een realistisch beeld van de Nederlandse samenleving krijgen. Dat moeten de docenten hen geven.’
Ook in zijn omgeving heeft hij geen bezwaren gehoord tegen het in eigen land en op eigen kosten inburgeren. Ajmidar: ‘In mijn vriendenkring vinden ze het wel eens tijd worden, ze zijn het zat steeds te worden aangekeken op de mislukte integratie van Marokkanen.’

Vakantienederlands
Zelf is hij een voorbeeld van succesvolle integratie. Ajmidar is momenteel directeur van een Rotterdamse stichting die zorgt voor de inburgering van migranten die al langer in Nederland zijn, de zogenoemde oudkomers. Hij won onlangs een prijs voor het beste Intercultural Business Plan. Zijn compagnon Maryann Jongens is docent. Zij woonde en werkte jarenlang op Curaçao, waar ze een taleninstituut had.
De ondernemers achter Instituut Oranje werken met een commerciële instelling, de lat ligt hoog. Zij trekken de docenten – allen van Marokkaanse origine – in Nederland aan. De leerkrachten moeten minstens HBO-niveau hebben. En ook de cursisten hopen zij op zo hoog mogelijk niveau af te leveren. ‘Verdonk heeft het over vakantienederlands. Dat vinden wij niet genoeg.’

Categorie: Diversiteit, Politiek, Publicaties Tags: Inburgeren in Marokko

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 32
  • Pagina 33
  • Pagina 34
  • Pagina 35
  • Pagina 36
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 38
  • Ga naar Volgende pagina »

Primaire Sidebar

Publicaties
  • ‘Ik wilde m’n eigen vreten verdienen.’
    Hans (53) uit Veenendaal werkt in de psychiatrie als ervaringsdeskundige. Hij weet wat het is om arm te zijn. Na ...
  • ‘De auto heb ik weg moeten doen.’
    Mario (41) verloor z’n baan als verzekerings- en hypotheekadviseur, omdat zijn baas failliet ging. Ook moesten hij en z’n vrouw ...
  • ‘Als ik geen brood heb, eet ik aardappels.’
    Renate (61) ontvangt een uitkering van €880,- per maand, plus eenmaal per jaar een langdurigheidtoeslag. Ze is Duitse van geboorte ...
  • <<
  • 1
  • ...
  • 26
  • 27
  • 28
  • 29
  • 30
  • 31
  • 32
  • 33
  • 34
  • 35
  • 36
  • ...
  • 75
  • >>

Artikelen

Selecteer subcategorie
category
6a1c72a5d901a
1
1
27
Loading....

Volg mij op

  • LinkedIn

© 2026 Annemiek Onstenk, journalist | Tekst, redactie & research | Techniek WordPress | Realisatie Zin in Webdesign