Beleid rond sociale participatie verhuist van het rijk naar gemeenten. Welzijnsorganisaties boren eigen kracht burgers aan. Vernieuwing moet van onderop komen. Waarom voert landelijke overheid dan ’t hoogste woord op welzijnscongres? [Lees meer…] overTopdown welzijnsbeleid
Burgerinitiatief sociale werkplaatsen?
Al ruim tien jaar is de sociale werkvoorziening in beweging. Ongeveer 100.000 mensen hebben een gesubsidieerde werkplek bij de sociale werkvoorziening (sw). Medewerkers die dat kunnen, worden met scholing en begeleiding klaargestoomd voor een gewone werkplek of een arbeidsplaats op basis van detachering. Sociale werkplaatsen noemen dit een beweging ‘van binnen naar buiten’. De overheid zette financiële druk op deze doorstroming. De ‘sociale’ bedrijfsvoering werd steeds meer vervangen door een ‘commerciële’, waarbij voor uit het bedrijfsleven afkomstig management productiviteitsstijging boven het bieden van beschutting ging. Een deel van de klassieke sw-werknemers, mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, is op deze wijze uitgestroomd. Nieuwe groepen, vooral mensen met een sociale beperking, stroomden in, onder wie dak- en thuislozen en ex-gevangenen.
Je zou zeggen dat de afgelopen tien jaar iedereen die tot regulier werk in staat is, wel is ‘afgeroomd’. En dat de poortwachters van de Wet sociale werkvoorziening hebben gezorgd dat alleen nog mensen zijn binnengekomen die écht een indicatie nodig hebben voor de sociale werkvoorziening. Maar kennelijk kan er nog een schepje bovenop of liever gezegd -af. Het kabinet-Rutte maakt zich, mede door de crisis, op voor een volgende grote bezuinigingsronde. In 2013 komt de Wet werken naar vermogen in de plaats van de Wet sociale werkvoorziening, de Wajong en de Wet werk en bijstand. Het plan is jaarlijkse honderden miljoenen te bezuinigen op de budgetten voor arbeidsparticipatie van mensen met een beperking. Het kabinet zegt de huidige medewerkers in de sociale werkvoorziening te willen ontzien. In de toekomst zal het aantal beschutte plekken met maar liefst tweederde verminderen.
Sw-bedrijven en hun werknemers, koepelorganisatie Cedris, vakbonden en gemeenten zien die scheiding tussen oud- en nieuwkomers in de sociale werkvoorziening niet zo haarscherp. De bestedingen, en dus ook de bezuinigingen op de sociale werkvoorziening, lopen via de gemeenten. De lokale bezuinigingen leiden nu al tot het wegvallen van begeleiding, scholing en/of vervoer van de medewerkers. Dat betekent de facto dat ook huidige medewerkers, zogenaamde insiders, hun baan verliezen, ook al voorzien de budgetten nog in hun salaris.
Betrokkenen en hun branche- en vakorganisaties komen her en der in het land in actie. De Vereniging Nederlandse Gemeenten onderhandelt nog over precieze afspraken en bedragen en ook in de politiek is het laatste woord er nog niet over gezegd. Maar wordt het geen tijd dat ook gewone burgers zich ermee gaan bemoeien? Wat te denken van bijvoorbeeld ‘adoptie’ van plaatsen in de sociale werkvoorziening? Of van het schenken van meerjarige en voor de belasting aftrekbare giften? Als crowdfunding (financiering door met de pet rond te gaan; particulier geld werven) mogelijk zijn voor kunst en cultuur, waarom dan niet voor sociale werkplaatsen?
‘Ik heb een karakterfout van benepenheid’
Mijn ouders trouwden eind jaren veertig van de vorige eeuw. In de jaren vóór hun huwelijk correspondeerden ze intensief. M’n ouders kwamen uit Arnhem en leerden elkaar daar kennen. M’n moeder, onderwijzeres, bleef in Arnhem wonen en werken, m’n vader, journalist, werkte in Den Haag en later in Hoorn. In de weekends zagen ze elkaar, doordeweeks schreven ze brieven, heel veel brieven, soms drie of vier per week. Die kon je toen ’s avonds laat nog op de bus doen, opdat ze de volgende dag met de ochtendpost werden bezorgd. M’n moeder, die haar hele huwelijk leed onder de papieren bewaar- en verzamelwoede van m’n vader, krantenman, gooide die liefdespost niet weg, zo bleek na haar overlijden. Ze bewaarde alles netjes in een schoenendoos.
Er werd in mijn (en die van m’n broers en zus) jeugd vrijwel nooit gepraat over hoe m’n ouders in het leven stonden, wat hun verwachtingen waren als jonge mensen, hun verleden, etc. Praten was niet m’n vaders sterkste kant. ‘Ik ben niet zo’n gezellige prater in gezelschap. Ik ben een beetje bleu, maar ook critisch. Zwijgen is vaak beter,’ liet hij m’n moeder eens weten. Geschreven werd er des te meer, ook vroeger. Dus permitteer ik me soms in hun post te neuzelen, bij wijze van inhaalslag.
Uit de schoenendoos blijkt dat er vóór m’n vader een andere man was die een oogje op m’n moeder had: ene ‘Louis’. Louis schrijft, vlak na de oorlog, mooie brieven, vol zelfspot. De brieven van m’n moeder zijn korter en terughoudender. Ze wil wel een ‘fijne fietstocht’ met Louis maken, maar hem ‘geen illusies’ geven.
Mijn vader is wel de ware, en m’n moeder voor hem. ‘Lieve schat, duivin van m’n hart’, ‘Liefste kuiken’,‘Lieve druif’…beginnen z’n brieven platpoëtisch. Uit een epistel van drie vellen van zijn hand vanuit Den Haag blijkt dat hun beider karakters niet naadloos in elkaar passen. M’n moeder is extravert en wat gezelligheid betreft een heel ander mens. ‘Vanavond ben ik bij je Vader wezen ‘buurten’,’ schrijft ze m’n vader. ‘Had haast keelpijn van het kwebbelen. Zo’n kletskous ben ik soms. Als jij zit te werken zal ik m’n mond houden, goed?’ Ze hebben eens woorden gehad over de invulling van hun gezamenlijke weekend. M’n vader bekent dat hij een ‘karakterfout van benepenheid’ heeft, maar hij is verongelijkt dat hij op z’n vorige brief over onder andere de ‘viering van de zondag’ geen ‘betere reactie’ van m’n moeder kreeg. Zij vindt waarschijnlijk ‘diep in haar hart’ dat hij over sommige dingen teveel ‘doorzaagt’. Hij voelt zich daarin miskend: ‘In m’n brieven staan vele suggesties, ideeën en dromen over fundamentele dingen, waar je nooit op antwoordt.’ Hij doet meer aan ‘zelfanalyse’ dan zij en wil niet alleen stilstaan bij materiële zaken als ‘waar gaan we wonen’. ‘Ik ben zeer critisch, ook op mezelf.’ Een andere keer verweet m’n moeder m’n vader een ‘gebrek aan hartelijkheid’ te hebben. Hij erkent dat er ‘bij mij inderdaad nog groei nodig is’. Hij vraagt haar geduld te hebben. ‘Als we nu al geen geduld hebben, hoe zullen we het dan later op kunnen brengen voor de jengelende, zeurende, ongehoorzame kinderkens?’ Ze vertrouwen er echter op dat ze met hun verschillende karakters kunnen samenleven. ‘Mijn gehele hart staat voor je open, altijd!’, bedekt m’n moeder de verschillen met de mantel der liefde. ‘Ik zal me niet meer ongerust maken, maar we moeten elkaar begrijpen. Dat gaat al steeds beter en dat wordt eerdaags nog veel beter.’ Hun relatie is ‘al beproefd’, schrijft m’n vader, en schuldbewust: ‘Ik weet dat ik niet alleen maar aardig tegen je ben geweest.’
‘Eerdaags’ is na hun huwelijk. Dat komt langzaam maar zeker dichterbij. De trouwdatum kan pas worden vastgesteld als er een huis is, ze hopen halverwege 1949. M’n vader werkt bij een krant die (vermoed ik) beschikt over een soort startershuis voor redacteuren. Het wachten is op het vertrek van ‘Van Dijk’. Het huis zal vervolgens gedeeld worden met het echtpaar ‘Groothoff’. De maanden voor hun huwelijk zijn verwachtingsvol. Het aanstaand paar verheugt zich enorm. Karakterverschillen of niet: als ze samen zijn, kunnen ze maar moeilijk van elkaar afblijven. In een lange brief vraagt m’n vader m’n moeder ‘in te stemmen’ met ‘ons beheersen’, tot ‘later’. ‘Op de knie zitten’ mag wel, ‘lang zoenen’ niet. Hoewel het ‘heerlijk’ is, schrijft hij, daarover geen misverstand. Tal van praktische zaken moeten worden geregeld. M’n vader stelt voor een warmwatergeiser aan te schaffen ‘voor als we in de winter eens in de wastobbe willen’. Daarvoor is een ‘gróte teil’ nodig. Als Van Dijk het bewuste huis verlaat, moet in de woning het een en ander worden opgeknapt. Een timmerman brengt een scheidingswand aan. M’n vader en moeder wisselen per brief hun zorgen uit over ‘geluiddichtheid’. M’n vader bespreekt het met een timmerman, die een wand van ‘board’ plaatst. Geluiden (moeten) worden gedempt door ‘zaagsel’ tussen de twee wandjes. Ook komt er een ‘electricien’ voor de stopcontacten en een smid voor de kachel. M’n vader bestelt kolen en gordijnen, m’n moeder vraagt om de bouw van een ‘kolenhok’, want ‘zakjes kolen zijn een stuk duurder’. Ook regelt m’n vader de ‘radiodistributie’. Verheugd meldt hij dat er zelfs ‘een telefoon in huis’ komt!
Tussendoor werkt hij op de krant, hij draait vaak nachtdiensten. Hij schrijft in 1949 o.a. een stukje over de Koperen bruiloft van het koninklijk paar en over een vliegramp. Alle redacteuren krijgen thuis een krant toegestuurd om bij te houden. ‘Ik krijg Het Parool, een socialistische communistische krant.’ M’n moeder schrijft dat ze voor zich ziet hoe hij zit te werken, omringd door stapels kranten en paperassen, een rimpel in z’n voorhoofd. Bezorgd vraagt ze zich af waar ze, als ze eenmaal zijn getrouwd, met al dat papier van hem naartoe moeten: ‘Baasje lief waar laten we toch al dat papier op de 3boomlaan? Ik wil het niet graag zo zichtbaar in de huiskamer hebben. Jij toch ook niet?’ Ze weet dan nog niet dat al dat papier, als de natuurlijke omgeving, m’n vader zal omringen tot z’n dood, 45 jaar later.
De Grote Dag nadert. Het huwelijk zal eind oktober worden voltrokken. Er worden 175 annonces verstuurd. Op 13 ‘Oct.’ schrijft m’n vader: ‘Nog twee weken. Het is toch nog haast niet te geloven, dat dit nu allemaal werkelijk wáár is! Maar het is zo. Hoera.’ Een week voor de bruiloft wordt de verhuisauto geregeld, die kisten van Arnhem naar Hoorn rijdt. Op 24 en 25 ‘Oct.’ richt het aanstaand bruidspaar haar halve woning in, geholpen door zijn vader.
Een van de laatste kleine zorgen is nog of een bruidegom ook een corsage draagt (op de trouwfoto zie ik dat het antwoord daarop bevestigend is geweest).
wordt vervolgd
Turkse kunstnomaden in Amsterdam
Eigen Krachtmeting
Eigen Kracht conferenties in families/gezinnen of buurten die dreigen te kapseizen, zijn hot. Simpelweg omdat ze werken én goedkoop zijn. Een gezin dat in de problemen zit of buurtbewoners die met elkaar overhoop liggen, nodigen hun netwerk rond de tafel, praten (uit) en maken afspraken over onderlinge steun en praktische oplossingen. Ongeveer 1000 gezinnen per jaar doppen op het ogenblik min of meer op eigen kracht hun boontjes, mét hun familie, vrienden en buren dus. Afgaand op de berichten op de site van de Eigen Kracht Centrale tot ieders genoegen. Sociale winst is dat er krachten worden aangesproken die weinigen voor mogelijk hielden en dat families/buurten zelf de regie houden. Ze komen niet aan een ‘hulpinfuus’ te liggen, zoals sommigen dat tegenwoordig denigrerend noemen. Noch raken ze verstrikt in slecht functionerende ketenzorg van -tig, langs elkaar heen werkende instellingen. En dan zijn er nog de financiële voordelen, want goedkoper dan ‘eigen kracht’ is er niet. Bij Eigen Kracht conferenties kan zelfs de coördinator een vrijwilliger zijn. Samenredzaamheid past in het zorg- en welzijnsbeleid van vandaag, ja, ís dat beleid: eerst eigen verantwoordelijkheid nemen en in eigen omgeving hulp zoeken, en pas als dat onmogelijk is een beroep doen op professionele zorgverleners. Wie kan tegen zelf- en samenredzaamheid zijn, niemand toch? Fantastisch!
Maar wat er mensen in het netwerk aanschuiven die het erg met zichzelf hebben getroffen, de wijsheid in pacht (denken te) hebben en het betreffende gezin/de buurt wel eens zullen vertellen hoe men de problemen moet oplossen? Dan is eerder sprake van een Eigen Krachtmeting. En wat als het bewuste gezin de vuile was juist níet tussen familieleden, vrienden en buren wil ophangen? En buurtbewoners het liefst hun eigen leven leiden en verder met rust willen worden gelaten? Eigen Kracht wordt erg rooskleurig voorgesteld, geromantiseerd en geïdealiseerd, alsof het een panacee is voor alle tekortkomingen van professionele inzet. Je hoeft maar naar De Rijdende Rechter te kijken om te weten hoe buren elkaar het leven zuur kunnen maken. Als professioneel paternalisme plaats maakt voor onprofessioneel paternalisme en deskundige bemoeizorg ondeskundige bemoeizucht wordt, met sociale controle als bonus, dan ben je als buurt of gezin verder van huis. Figuurlijk dan, want in werkelijkheid haal je de ellende juist in huis. Letterlijk.
Jongeren te huur
Beveiligingsmedewerkers van een kantoor kijken van afstand verschrikt toe. Akelig vloekend en dreigend dienen enkele jongeren een klagende buurtbewoner van repliek. ‘Hoe hij het in z’n hoofd haalt hen aan te spreken op hun “teringherrie”. ‘Wij wónen hier en chillen waar we willen, gi.’ Wat de medewerkers niet weten is dat dit een nepruzie is, gespeeld door kersvers gediplomeerde trainingsacteurs van The Crew. De boze buurman die de luidruchtige hangjongeren aanspreekt op hun gedrag, is hun opleider. Buurman krijgt lik op stuk omdat hij hen ‘fout’ benadert. Doet hij het ‘beter’, dan veranderen de zogenoemde ‘straatterroristen’ in jonge gasten die goed aanspreekbaar zijn en met humor afscheid nemen.
Parkeerwachten, loketmedewerkers, politieagenten, zorgverleners, toezichthouders in voetbalstadions of straatcoaches: ze zijn allemaal wel eens op cursus geweest hoe om te gaan met agressie van jongeren tijdens de uitoefening van hun functie. Cursusleiders worden meestal bijgestaan door acteurs die jongeren spélen. Het Amsterdamse trainingsbureau RadarVertige leidde zes jongeren uit de doelgroep zelf op tot trainingsacteur. Zij kennen de straatcultuur uit eigen ervaring. Het bureau wil (werkloze) jongeren met een uitkering een kans geven, maar ook tegenwicht bieden tegen vooroordelen over jongeren. Ze zouden niet gemotiveerd zijn, ongedisciplineerd en ongemanierd. The Crew bewijst het tegendeel. De zes jonge mensen die deze week hun diploma kregen, zijn gedreven en getalenteerd. En als je hen gewoon normaal bejegent nog leuk en aardig ook. Ice is één van hen. Hij is van ver gekomen en zat verschillende keren in de bak. Maar deze ‘kans op een beter leven’, zoals hij zegt, kon hij niet laten lopen: via de Dienst Werk en Inkomen bij RadarVertige een opleiding van vier maanden volgen om, in plaats van een uitkering te ontvangen, zelf de kost te verdienen als trainingsacteur. Intimidatie (en erger) is z’n specialiteit: ‘Als ze een agressief iemand zoeken, ben ik de nummer 1.’ Ice is, bij wijze van stage, al bij verschillende opdrachtgevers geweest, waaronder Bureau Jeugdzorg in Emmen. Hij trekt als acteur naturel van leer als een zorgverlener een verkeerde insteek of toon kiest in een probleemsituatie met een jongere en geeft achteraf feedback. ‘Wij kunnen uit eigen ervaring aangeven welke benadering werkt en welke niet, en waarom dat zo is.’
Hij en de andere jonge, streetwise trainingsacteurs van The Crew hebben een tijdelijk (met uitzicht op vast) dienstverband bij RadarVertige. Ze zijn aldaar in te huren door publieke diensten en (non-profit) organisaties als de politie, openbaar vervoerbedrijven, organisaties met baliefuncties, welzijns- en onderwijsinstellingen.
www.radarvertige.nl
